Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
17/5009 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat CAK zich terecht en op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant over de periode in geding een buitenlandbijdrage voor zijn echtgenote verschuldigd is. In artikel 69, tweede lid, van de Zvw is dwingend bepaald dat de buitenlandbijdrage is verschuldigd van diegenen die verdragsgerechtigd zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2020/15
AB 2021/16 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5009 ZVW

Datum uitspraak: 2 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017, 16/5850 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en vragen van de Raad beantwoord.

Het CAK heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 30 mei 2014 getrouwd met mevrouw [naam echtgenote] (echtgenote), die sinds 2007 in Spanje woont. Appellant woonde en werkte tot 1 juli 2015 in Nederland. Hij heeft zich op 1 juli 2015 in Spanje gevestigd bij zijn echtgenote en ontvangt vanaf die datum een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

1.2.

Het CAK heeft bij besluit van 24 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2016 (bestreden besluit), de buitenlandbijdrage voor de echtgenote over de maanden januari tot en met juni 2015 vastgesteld op € 229,61.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de echtgenote in de periode van januari tot en met juni 2015 verdragsgerechtigd was op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) en dat zij in deze periode recht had op zorg in haar woonland Spanje ten laste van Nederland. Appellant is hiervoor een buitenlandbijdrage verschuldigd. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de omstandigheid dat een verzekerde de betrokken verstrekkingen in het woonland niet effectief kan ontvangen en dus geen kosten meebrengt die het pensioenland aan het woonland zou moeten vergoeden, niet afdoet aan het bestaan van het recht op die verstrekkingen en de daar tegenoverstaande wettelijke verplichting in het pensioenland de bijdragen te betalen die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor het risico dat die staat draagt ingevolge de bepalingen van Vo 883/2004. Een dergelijke verplichting om een bijdrage te betalen omdat dat recht op prestaties bestaat, ook al worden die prestaties niet effectief verleend, is volgens de Raad, in navolging van het Hof van Justitie van de Europese Unie, inherent aan het door de nationale socialezekerheidsstelsels toegepaste solidariteitsbeginsel. Dat de echtgenote door allerlei omstandigheden in de betreffende periode niet beschikte over een werkzame zorgpas van het Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) of een European Health Insurance Card (EHIC), waardoor zij haar recht op zorg in haar woonland of in Nederland niet heeft kunnen effectueren, heeft daarom niet tot gevolg dat de buitenlandbijdrage niet verschuldigd is.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt dat hij de buitenlandbijdrage voor zijn echtgenote over de periode van 1 januari tot en met 31 juni 2015 verschuldigd is. Zijn echtgenote was weliswaar verdragsgerechtigde, maar zij heeft haar recht op zorg in Spanje wegens administratieve fouten van het INSS, CAK en de zorgverzekeraar niet kunnen effectueren. Niet eerder dan 1 januari 2016 kon zij gebruik maken van haar recht op zorg in Spanje. Appellant acht het onrechtmatig dat een bijdrage wordt opgelegd zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat CAK zich terecht en op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant over de periode in geding een buitenlandbijdrage voor zijn echtgenote verschuldigd is. In artikel 69, tweede lid, van de Zvw is dwingend bepaald dat de buitenlandbijdrage is verschuldigd van diegenen die verdragsgerechtigd zijn. De echtgenote was in de periode in geding verdragsgerechtigd, hetgeen door CAK en INSS is bevestigd, zodat appellant voor deze periode de buitenlandbijdrage verschuldigd was. Noch de datum van inschrijving met het E-109-formulier, noch de feitelijke omstandigheden waardoor de echtgenote haar aanspraak op zorg in Spanje niet heeft kunnen effectueren is gelet op het dwingendrechtelijke karakter van het genoemde artikellid hierop van invloed (vergelijk de uitspraak van de Raad van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3649). Voor zover de echtgenote van appellant door administratieve onvolkomenheden aan de zijde van het INSS, het CAK en/of de zorgverzekeraar haar recht op zorg niet daadwerkelijk heeft kunnen realiseren, kan zij zich voor een schadevergoeding tot het betreffende orgaan wenden. Voor de vraag of een buitenlandbijdrage verschuldigd is, is de vraag of het recht op zorg feitelijk kon worden geëffectueerd echter niet van belang.

4.2.

Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, M.A.H. van Dalen-van Bekkum en R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M. Buur