Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
18/6175 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Niet verschenen op gesprek. Recht is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6175 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

1 november 2018, 18/1010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het college hebben nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 1 november 2017 gemeld om een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet in te dienen en heeft de aanvraag op 6 december 2017 ingediend. In de aanvraag heeft appellant vermeld dat hij woont op het adres [adres 1] (opgegeven adres).

1.2.

Omdat het opgegeven adres bij de gemeente bekend stond als een risicoadres, heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Op

20 december 2017, 4 januari 2018 en 9 januari 2018 hebben toezichthouders geprobeerd onaangekondigd een huisbezoek af te leggen. Appellant is alle keren niet op het opgegeven adres aangetroffen.

1.3.

Bij brief van 9 januari 2018, gedeponeerd in de brievenbus van het opgegeven adres, is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 10 januari 2018. Appellant is, zonder bericht, niet verschenen op deze afspraak.

1.4.

Bij aangetekend verzonden brief van 10 januari 2018 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 17 januari 2018. Deze brief is door de postbode eerst vergeefs aangeboden op het opgegeven adres en vanaf 13 januari 2018 vanaf 15:00 uur beschikbaar gesteld op de afhaallocatie aan het [adres 2] .

1.5.

Op 15 januari 2018 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met het klant contactcenter (KCC) van de gemeente Almelo en gezegd dat hij de brief van 9 januari 2018 over de afspraak op 10 januari 2018 pas op 11 januari 2018 heeft ontvangen, omdat hij op kamers woont.

1.6.

Appellant is, zonder bericht, niet verschenen op de afspraak van 17 januari 2018.

1.7.

Bij besluit van 18 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen en de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 1.250,- van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet is verschenen bij de gesprekken op 10 januari 2018 en

17 januari 2018 en geen extra informatie heeft kunnen geven over zijn woon- en leefsituatie. Hiermee heeft betrokkene zijn inlichtingenverplichting geschonden en is zijn recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Appellant is niet verschenen bij de gesprekken op 10 januari 2018 en 17 januari 2018. Uit het verslag van het telefoongesprek met het KCC volgt dat appellant de brief van 9 januari 2018 te laat heeft gelezen. Over de aangetekend verzonden brief van 10 januari 2018 heeft appellant zelf gezegd dat hij die bij de afhaallocatie heeft opgehaald, maar dat de afgesproken tijd toen al was verstreken. Appellant heeft aangevoerd dat hij de post soms miste, omdat er maar één brievenbus is voor alle huurders. Na een tweede aanvraag is hem vanaf 18 januari 2018 wel bijstand toegekend. Omdat hij al vanaf 2 november 2017 geen inkomen had, meent appellant dat hij al voor 18 januari 2018 recht heeft op bijstand en dat het verstrekte voorschot ten onrechte is teruggevorderd.

4.3.

De Raad volgt appellant hierin niet. Het bijstandverlenend orgaan mag er in beginsel van uitgaan dat post die in de brievenbus van het woonadres van de betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging de volgende dag te verschijnen, de betrokkene zo tijdig bereikt en dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of om uitstel kan verzoeken. Als de betrokkene deze voor hem bestemde en op de gebruikelijke wijze bezorgde post niet of niet tijdig heeft ontvangen, komt dit voor zijn rekening en risico. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van

31 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1806). Als er problemen zijn met de post mag van appellant worden verwacht dat hij zelf tijdig maatregelen treft. Dat appellant de brief van

9 januari 2018 en het afhaalbericht voor de brief van 10 januari 2018 te laat heeft gelezen om op tijd voor de gesprekken te zijn, komt daarom voor zijn rekening en risico.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant, door niet te verschijnen op de oproepen voor gesprekken op 10 januari 2018 en 17 januari 2018, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dat aan appellant later wel bijstand is toegekend leidt niet tot een ander oordeel, omdat dat is gebeurd naar aanleiding van een latere aanvraag met een andere te beoordelen periode.

4.5.

Tegen de terugvordering van de voorschotten heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze terugvordering geen aparte bespreking behoeft.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter, in tegenwoordigheid van

S. Azaouagh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2020.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S. Azaouagh