Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
18/5451 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening op grond van 8:119 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5451 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 september 2020

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2016, 16/2109, 16/2434 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het bestuur van het samenwerkingsverband Meerinzicht (bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de opheffing van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand en de vaststelling van een nieuwe gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2018 treedt in dit geding het bestuur in de plaats van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand. In deze uitspraak wordt onder bestuur tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand.

Verzoeker heeft bij brief van 10 oktober 2018 voor de derde maal verzocht om

herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2016, 16/2109 en 16/2434 (ECLI:NL:CRVB:2016:2370). Daarbij heeft verzoeker om vergoeding van schade verzocht.

Het bestuur heeft een reactie ingediend.

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker ontving vanaf 22 oktober 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 28 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 februari 2016, heeft het bestuur de bijstand van verzoeker herzien over de periode van 22 oktober 2014 tot en met 30 november 2015. Tevens heeft het bestuur aangekondigd vanaf 1 december 2015 het bedrag dat verzoeker ten minste wekelijks ontvangt van zijn ouders, berekend op € 217,- per maand, op zijn bijstand in mindering te zullen brengen. Het bestuur heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat dit bedrag moet worden aangemerkt als middelen.

1.3.

Bij uitspraak van 23 februari 2016, 16/61, 16/1213 en 16/1214, heeft de rechtbank Gelderland, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 15 februari 2016, ongegrond verklaard.

1.4.

Bij de uitspraak van 2 juni 2016, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Hiertoe heeft de Raad geoordeeld dat de periodieke betalingen van de familieleden van verzoeker, waarover verzoeker vrijelijk kon beschikken, terecht als inkomen zijn aangemerkt.

1.5.

Bij uitspraak van 31 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:339) heeft de Raad een eerste verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 2 juni 2016, afgewezen.

1.6.

Bij uitspraak van 11 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2791) heeft de Raad een tweede verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 2 juni 2016, afgewezen.

2. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek van 10 oktober 2018 naar voren gebracht dat in hoger beroep niet inhoudelijk is gereageerd op de door hem aangevoerde grond dat het bestuur op de hoogte was van de (aanvullende) financiële hulp die verzoeker maandelijks van zijn ouders, zijn broer en X ontving. Hiervoor heeft verzoeker verwezen naar zijn aanvraag van 18 april 2014 om toekenning van bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 en de daarbij gevoegde stukken en naar zijn aanvraag van 23 oktober 2014 om toekenning van (algemene) bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Daaruit blijkt dat hij melding heeft gemaakt van de door hem ontvangen financiële hulp.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Wat verzoeker heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in de aan de uitspraak voorafgegane procedures en in het geding dat tot die uitspraak heeft geleid, alsmede van wat hij in zijn beide eerdere verzoeken om herziening naar voren heeft gebracht. Verzoeker heeft in zijn nu aan de orde zijnde (herzienings)verzoek geen feiten of omstandigheden genoemd die bij hem niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn vóór de uitspraak van 2 juni 2016. Reeds daarom voldoet dit verzoek niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen. Verzoeker beoogt met zijn standpunt in feite de juistheid van die uitspraak alsnog te betwisten. Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

3.3.

Uit wat onder 3.1 en 3.2 is overwogen, vloeit voort dat het verzoek van 10 oktober 2018 om herziening van de uitspraak van 2 juni 2016 moet worden afgewezen.

3.4.

Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in titel 8.4 van de Awb. Uit artikel 8:119, tweede lid, van de Awb volgt dat deze titel niet van toepassing is op het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening. Dit betekent dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade alleen al hierom moet worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening af;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2020.

(getekend) E.C.G. Okhuizen

(getekend) J.B. Beerens