Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
18/5821 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In zijn uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2909, inzake een aanvraag van appellante op grond van de Wmo 2015 heeft de Raad al overwogen dat uit de, hier in bezwaar, overgelegde stukken volgt dat appellante haar klachten toeschrijft aan elektromagnetische velden (EMV), maar dat er tot op heden geen betrouwbare test is die dit vermoeden met zekerheid kan bevestigen. In dit verband wordt nog verwezen naar de uitspraak van de Raad van 27 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3015, waarin is overwogen dat bij de huidige stand van de medische wetenschap elektromagnetische hypersensitiviteit syndroom (EHS) niet algemeen wordt erkend als ziekte of gebrek. Ook overigens biedt het dossier geen aanknopingspunten dat het om objectief medische redenen is aangewezen om appellante beperkt te achten voor werken in een omgeving met elektromagnetische straling. Geoordeeld wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare informatie in de beoordeling heeft betrokken en in de rapporten van 14 februari 2018 en 22 mei 2018 op inzichtelijke en navolgbare wijze heeft beschreven hoe hij tot de conclusie is gekomen dat appellante op de datum in geding geschikt was voor de maatgevende arbeid. Wat appellante naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. Vaste rechtspraak met betrekking tot bijzondere verlichtende aspecten van de laatste functie en situatieve omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5821 ZW

Datum uitspraak: 31 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 september 2018, 18/1279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dorsselaar-Spapen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als beeldredacteur bij [werkgever] voor 32 uur per week. Het dienstverband is op 31 oktober 2015 geëindigd. Op 29 september 2017 heeft appellante zich ziek gemeld met medische klachten op grond van een life-event. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellante stelt verder gevoelig te zijn voor elektromagnetische velden (EMV) en het elektromagnetische hypersensitiviteit syndroom (EHS) te hebben. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Op 14 december 2017 heeft appellante het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts van het Uwv. Deze bedrijfsarts heeft appellante onderzocht en haar weer geschikt geacht voor haar laatst verrichte arbeid van beeldredacteur . De EHS-klachten van appellante konden niet worden geobjectiveerd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2017 vastgesteld dat appellante per 14 december 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 februari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 februari 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld geen aanleiding te zien om te oordelen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan alle klachten van appellante aandacht besteed en alle beschikbare medische informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien om de uitslag van het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de klachten van appellante passen binnen de diagnose somatisch onvoldoende verklaarbare lichamelijke klachten (SOLK), voor onjuist te houden. Het betoog van appellante dat haar medische situatie is verslechterd sinds 2012/2013 enkel door de toename van de technologische mogelijkheden en de daarbij behorende toegenomen straling is volgens de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante is volgens de rechtbank terecht in staat geacht tot het verrichten van haar eigen arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank niet gevolgd kan worden. Ten onrechte wordt gesteld dat niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden of klachten sinds 2012/2013. Het Uwv had uitgebreider moeten motiveren waarom er geen verslechtering heeft plaatsgevonden. Appellante verwijst naar haar eigen verhaal dat zij in beroep heeft overgelegd. Voorts stelt appellante dat er ten onrechte geen fysieke beperkingen zijn aangenomen. Voorts is ten onrechte overwogen dat zij kon thuiswerken en dat dit als een verlichtende omstandigheid moet worden gezien. Appellante stelt dat thuiswerken maar af en toe voorkwam. Appellante is van oordeel dat er een beperking in de fysieke werkomgeving had moeten worden aangenomen op grond van de elektromagnetische straling. Met die beperking zou zij ongeschikt zijn voor haar werkzaamheden als beeldredacteur .

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschikt tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of het Uwv terecht geen beperking heeft aangenomen voor het niet kunnen functioneren in een omgeving met elektromagnetische straling.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.

4.4.

In zijn uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2909, inzake een aanvraag van appellante op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (Wmo 2015) heeft de Raad al overwogen dat uit de, hier in bezwaar, overgelegde stukken volgt dat appellante haar klachten toeschrijft aan EMV, maar dat er tot op heden geen betrouwbare test is die dit vermoeden met zekerheid kan bevestigen. Ook de arts J.P. Mossink, waarnaar appellante door arts J.Th. Holwerda bij brief van 1 februari 2018 is verwezen, schrijft op 10 februari 2018 enkel dat het zeer aannemelijk is dat haar klachten gerelateerd zijn aan blootstelling aan EMV. Ter zitting heeft appellante erop gewezen dat zij een consult bij een Franse arts, prof. Belpomme, heeft gehad en dat door hem is vastgesteld dat zij gevoelig is voor straling. In dit verband wordt nog verwezen naar de uitspraak van de Raad van 27 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3015, waarin is overwogen dat bij de huidige stand van de medische wetenschap EHS niet algemeen wordt erkend als ziekte of gebrek.

4.5.

Ook overigens biedt het dossier geen aanknopingspunten dat het om objectief medische redenen is aangewezen om appellante beperkt te achten voor werken in een omgeving met elektromagnetische straling. Geoordeeld wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare informatie in de beoordeling heeft betrokken en in de rapporten van 14 februari 2018 en 22 mei 2018 op inzichtelijke en navolgbare wijze heeft beschreven hoe hij tot de conclusie is gekomen dat appellante op de datum in geding geschikt was voor de maatgevende arbeid. Wat appellante naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. De diagnose SOLK impliceert dat sprake is van gezondheidsklachten zonder aanwijsbare oorzaak en derhalve niet van een objectieve medische grondslag om alle gepresenteerde klachten in beperkingen te vertalen. Wel zijn er diverse beperkingen die rechtstreeks samenhangen met het ziektebeeld SOLK, maar die vormen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen belemmering voor appellante om haar eigen arbeid te verrichten.

4.6.

Wat betreft het standpunt van appellante dat met de verlichtende omstandigheden van het werk, zoals het meerijden met een collega en het (af en toe) thuiswerken, geen rekening moet worden gehouden, wordt geoordeeld dat uit vaste rechtspraak blijkt dat bijzondere verlichtende aspecten van de laatste functie en situatieve omstandigheden niet buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Zie onder meer de uitspraken van de Raad van

6 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672, van 13 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1317, van 10 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4126, en van 13 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1738.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) C.M. van de Ven