Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
18/1346 WLZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:908, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De medisch adviseur van CIZ, I. Dammar, heeft op 10 november 2015 advies uitgebracht. Volgens de medisch adviseur is appellant bekend met ADHD en is er sprake van een psychiatrische grondslag. Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat het medische advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dat advies niet concludent of anderszins onjuist is. Appellant heeft het medische advies onvoldoende (medisch) onderbouwd weersproken, terwijl hij daarvoor voldoende gelegenheid heeft gehad. Het standpunt van appellant dat er in 2014 een TIQ van 82 is vastgesteld en dat op dat moment de psychische klachten geen ruis meer veroorzaakten vindt geen steun in de stukken. Ook overigens is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de medisch adviseur. Dit betekent dat CIZ terecht geen Wlz-indicatie heeft verstrekt en de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1346 WLZ

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2018, 16/1238 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door [X] en [Y], heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. De Jonge heeft zich op 10 juli 2020 onttrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020. Appellant is niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater en mr. I.C.J.G. van Maris‑Kindt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 2000, heeft in 2015 bij CIZ een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).

1.2.

CIZ heeft deze aanvraag afgewezen en deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 februari 2016 (bestreden besluit). CIZ heeft zich, onder verwijzing naar een medisch advies van 10 november 2015, op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van een grondslag die toegang geeft tot zorg op grond van de Wlz. De grondslag verstandelijke handicap kan niet worden vastgesteld. Wel is bij appellant sprake van de grondslag psychiatrie, maar deze grondslag geeft geen toegang tot de Wlz. Verder is volgens CIZ niet komen vast te staan dat appellant is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant komt hij in aanmerking voor een Wlz-indicatie. Appellant voert daartoe aan dat sprake is van een verstandelijke handicap. CIZ is er ten onrechte vanuit gegaan dat de IQ-meting is beïnvloed door psychiatrische problemen. Deze veroorzaakten in ieder geval in 2014 geen ruis meer en toen is een TIQ van 82 vastgesteld. Appellant heeft er verder op gewezen dat hij ook beperkingen heeft in het adaptief functioneren.

3.2.

CIZ heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven. Ter zitting heeft CIZ hieraan nog toegevoegd dat voor het aannemen van de grondslag verstandelijke handicap niet alleen een intelligentietest met een IQ-score van belang is, maar ook of iemand beperkingen ondervindt in het adaptief functioneren. Het moet dan gaan om beperkingen in het adaptief functioneren die er toe leiden dat iemand zonder blijvende ondersteuning niet zelfstandig kan functioneren in het dagelijks leven. Dat is bij appellant niet gebleken. Daarnaast heeft de medisch adviseur gezegd dat er geen aanwijzingen zijn voor een verblijfssituatie als bedoeld in de Wlz. Dit betekent dat er geen sprake is van een noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz luidt als volgt:

1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:

a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of

b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,

1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of

2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.

4.2.

CIZ maakt bij de uitvoering van zijn taak gebruik van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2016 (Beleidsregels). In Bijlage 2 van de Beleidsregels zijn de grondslagen voor toegang tot de Wlz uitgewerkt. Bij de grondslag “Verstandelijke handicap” is onder andere het volgende opgenomen:

“Een verstandelijke beperking begint gedurende de ontwikkelingsperiode, met beperkingen in zowel het verstandelijke als het adaptief functioneren in de conceptuele, sociale en praktische domeinen.

Deficiënties in het intellectueel functioneren worden zowel vastgesteld door een professionele beoordeling als door een geïndividualiseerde gestandaardiseerde intelligentie test.

Deficiënties in het adaptief functioneren leiden er toe dat verzekerde zonder blijvende ondersteuning niet zelfstandig kan functioneren in het dagelijks leven.”

4.3.

De medisch adviseur van CIZ, I. Dammar, heeft op 10 november 2015 advies uitgebracht. Volgens de medisch adviseur is appellant bekend met ADHD en is er sprake van een psychiatrische grondslag. Van een grondslag verstandelijke handicap is vooralsnog geen sprake. Bij een intelligentietest in 2013 is weliswaar een TIQ van 63 geconstateerd, maar de uitslag van deze test is niet geheel betrouwbaar. Volgens de medisch adviseur is het in de neuropsychologie een bekend fenomeen dat ‘cognitieve missers’ kunnen optreden bij het gelijktijdig aanwezig zijn van bijkomende problematiek zoals psychiatrische aandoeningen. Daarnaast blijkt uit het meest recente rapport van GGZ Delfland van 14 oktober 2015 dat de behandeling succesvol is afgesloten. De klachten op het gebied van het psychisch functioneren en het gedrag zijn afgenomen en deze zijn volgens de medisch adviseur nu als licht aan te merken. Daarbij wijst de medisch adviseur op de voorgeschreven - voldoende effectief gebleken - medicatie, de afname van de angsten en de informatie van de leerkracht waaruit blijkt dat appellant op school beter geconcentreerd lijkt, minder reageert op andere kinderen en dat zijn schoolresultaten vooruit zijn gegaan.

De medisch adviseur adviseert opnieuw een intelligentieonderzoek te laten doen, omdat de ‘storende’ psychische klachten wat op de achtergrond zijn getreden en daardoor een uitslag kan volgen die beter aansluit bij het cognitief functioneren van appellant.

Ten slotte is er volgens de medisch adviseur vooralsnog geen aanwijzing dat sprake is van een verblijfssituatie zoals bedoeld is in de Wlz. Er rest een behoefte aan opvoedondersteuning in de thuissituatie, maar hiervoor zijn andere wettelijke voorzieningen aangewezen.

4.4.

Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat het medische advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dat advies niet concludent of anderszins onjuist is. De medisch adviseur heeft de beschikbare (medische) informatie, waaronder het meest recente rapport van GGZ Delfland van 14 oktober 2015, expliciet bij haar onderzoek betrokken. Appellant heeft het medische advies onvoldoende (medisch) onderbouwd weersproken, terwijl hij daarvoor voldoende gelegenheid heeft gehad. Het standpunt van appellant dat er in 2014 een TIQ van 82 is vastgesteld en dat op dat moment de psychische klachten geen ruis meer veroorzaakten vindt geen steun in de stukken. Ook overigens is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de medisch adviseur. Dit betekent dat CIZ terecht geen Wlz-indicatie heeft verstrekt en de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.

4.5.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) R.H. Koopman