Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
18/1377 WLZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:914, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De medisch adviseur van CIZ, I. Dammar, heeft op 21 januari 2016 advies uitgebracht. Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat het medische advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dat advies niet concludent of anderszins onjuist is. De medisch adviseur heeft de beschikbare (medische) informatie, waaronder het door appellant bij zijn aanvraag gevoegde verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van 18 mei 2015 en recente informatie van de huisarts, bij haar onderzoek betrokken. Appellant heeft het medische advies onvoldoende (medisch) onderbouwd weersproken, terwijl hij daarvoor voldoende gelegenheid heeft gehad. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de medisch adviseur. Dit betekent dat CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat bij appellant sprake is van de grondslag verstandelijke handicap. CIZ heeft daarom terecht geen Wlz-indicatie verstrekt en de rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1377 WLZ

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2018, 16/1237 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door Z. Bağbaşi en M. Bağbaşi, heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. De Jonge heeft zich op 10 juli 2020 onttrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020. Appellant is niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater en mr. I.C.J.G. van Maris‑Kindt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 2006, is bekend met psychische klachten (ADHD). Appellant heeft op 12 juni 2015 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij zijn aanvraag heeft hij onder meer een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek door psycholoog drs. R.M. van der Weide‑Iedema van 18 mei 2015 gevoegd.

1.2.

CIZ heeft deze aanvraag afgewezen en deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2016 (bestreden besluit). CIZ heeft zich, onder verwijzing naar een medisch advies van 21 januari 2016, op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van een grondslag die toegang geeft tot zorg op grond van de Wlz. De grondslag verstandelijke handicap kan niet worden vastgesteld. Wel is bij appellant sprake van de grondslag psychiatrie, maar deze grondslag geeft geen toegang tot de Wlz.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant komt hij in aanmerking voor een Wlz-indicatie. Appellant voert daartoe aan dat sprake is van een verstandelijke handicap. CIZ is er ten onrechte vanuit gegaan dat de IQ-meting is beïnvloed door psychiatrische problemen. Appellant heeft er verder op gewezen dat hij ook beperkingen heeft in het adaptief functioneren.

3.2.

CIZ heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven. Ter zitting heeft CIZ hieraan nog toegevoegd dat voor het aannemen van de grondslag verstandelijke handicap niet alleen een intelligentietest met een IQ-score van belang is, maar ook of iemand beperkingen ondervindt in het adaptief functioneren. Het moet dan gaan om beperkingen in het adaptief functioneren die er toe leiden dat iemand zonder blijvende ondersteuning niet zelfstandig kan functioneren in het dagelijks leven. Bij appellant kan daarvan nog niet worden gesproken omdat appellant nog jong is, nog niet behandeld is voor zijn psychiatrische problemen en de verwachting is dat adequate behandeling van die problemen zal leiden tot een verbetering van het adaptief functioneren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz luidt als volgt:

1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:

a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of

b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,

1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of

2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.

4.2.

CIZ maakt bij de uitvoering van zijn taak gebruik van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz. Bijlage 2 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2016 bevat beleid van CIZ waarin de grondslagen voor toegang tot de Wlz zijn uitgewerkt. Bij de grondslag “Verstandelijke handicap” is onder andere het volgende opgenomen:

Een verstandelijke beperking begint gedurende de ontwikkelingsperiode, met beperkingen in zowel het verstandelijke als het adaptief functioneren in de conceptuele, sociale en praktische domeinen.

Deficiënties in het intellectueel functioneren worden zowel vastgesteld door een professionele beoordeling als door een geïndividualiseerde gestandaardiseerde intelligentie test.

Deficiënties in het adaptief functioneren leiden er toe dat verzekerde zonder blijvende ondersteuning niet zelfstandig kan functioneren in het dagelijks leven.”

4.3.

De medisch adviseur van CIZ, I. Dammar, heeft op 21 januari 2016 advies uitgebracht. Volgens de medisch adviseur is appellant een 9-jarige jongen die bekend is met ADHD. Er sprake van een psychiatrische grondslag. Van een grondslag verstandelijke handicap is vooralsnog geen sprake. Bij een eenmalig intelligentieonderzoek van 18 mei 2015 is weliswaar een TIQ van 61 geconstateerd, maar de psychiatrische problematiek is dusdanig fors van aard dat deze de uitslag van het intelligentieonderzoek minder betrouwbaar maakt. De uitslag kan daardoor gedrukt zijn. Verder is appellant wel toegelaten tot het speciaal basisonderwijs, maar dit kan ook in het kader van de psychiatrische/gedragsproblematiek zijn geïndiceerd (cluster IV onderwijs). Daarnaast is volgens de medisch adviseur geen sprake van een uitbehandelde medische situatie. Appellant kan voor de psychiatrische problematiek nog doorverwezen worden naar een kinder-jeugdpsychiater. Een behandeltraject bij de jeugd-GGZ is nog mogelijk. De medisch adviseur raadt aan om appellant, na een zorgvuldige behandeling door een behandelteam vanuit de kinderpsychiatrie, opnieuw een intelligentietest te laten doen. Wel is duidelijk dat reeds in de huidige situatie additionele zorg noodzakelijk is. Dat kan in de vorm van behandeling en begeleiding worden verleend aan het kind en het gezinssysteem via andere wettelijke voorzieningen.

4.4.

Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat het medische advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dat advies niet concludent of anderszins onjuist is. De medisch adviseur heeft de beschikbare (medische) informatie, waaronder het door appellant bij zijn aanvraag gevoegde verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van 18 mei 2015 en recente informatie van de huisarts, bij haar onderzoek betrokken. Appellant heeft het medische advies onvoldoende (medisch) onderbouwd weersproken, terwijl hij daarvoor voldoende gelegenheid heeft gehad. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de medisch adviseur. Dit betekent dat CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat bij appellant sprake is van de grondslag verstandelijke handicap. CIZ heeft daarom terecht geen Wlz-indicatie verstrekt en de rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.

4.5.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) R.H. Koopman