Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
19/3461 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten stellen zich evenals in beroep -kortgezegd- op het standpunt dat de korpschef op enig moment een gewijzigde gedragslijn is gaan volgen bij de toepassing van de criteria van het HAP-II loopbaanbeleid en wijzen daartoe op (gewijzigde) besluiten over een vijftal collega’s. De Raad volgt appellanten niet in dit standpunt. Uit de door appellanten overgelegde besluiten, waarbij de korpschef alsnog heeft geconcludeerd dat de betrokken collega’s aan de criteria van het HAP-II loopbaanbeleid voldeden en daarom bevorderd zijn, volgt niet dat de korpschef hier van de vaste gedragslijn is afgeweken. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet. Volgens de aangevallen uitspraak wordt dit griffierecht door de rechtbank geheven in de zaak 17/4723. Dit betekent dat ten onrechte griffierecht is betaald in de zaken 18/586 en 18/588. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte bepaald dat alleen het griffierecht in de zaak 18/588 wordt terugbetaald. Hieruit volgt dat het hoger beroep in zoverre slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/398
USZ 2020/256
JB 2020/189
TAR 2020/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3461 AW, 19/3462 AW, 19/3463 AW

Datum uitspraak: 27 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2019, 17/4723, 18/586, 18/588 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], te [woonplaats] (appellante)

[Appellant 1], te [woonplaats] (appellant 1)

[Appellant 2], te [woonplaats] (appellant 2)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.A.J.T. Hoogendoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Hoogendoorn. De korpschef is met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van [Functie]

([Functie]).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op 1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782; circulaire). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de [Functie]’(loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de [Functie] naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist [Functie] (schaal 7) naar senior [Functie] (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior [Functie]’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van Korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. Het loopbaanbeleid voor bevordering van schaal 7 naar schaal 8 is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd. In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid [Functie] van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) nadere uitvoeringsafspraken vastgelegd.

1.3.

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft de korpschef de aanvraag van appellante om bevorderd te worden naar de functie van Senior Medewerker Basiseenheid afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft de korpschef bij besluit van 6 maart 2014 ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft de korpschef de aanvraag van appellant 1 om bevorderd te worden naar de functie van Senior Medewerker Basiseenheid afgewezen. Appellant 1 heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de korpschef de aanvraag van appellant 2 om bevorderd te worden naar de functie van Senior Medewerker Basiseenheid afgewezen. Appellant 2 heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij brief van 5 januari 2017 heeft mr. Hoogendoorn namens appellanten (en namens [X]) verzocht om hen alsnog in aanmerking te laten komen voor bevordering naar de functie van senior [Functie]. Bij besluit van 8 maart 2017 heeft de korpschef dit, onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geweigerd. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 2 oktober 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat voor wat betreft de uitleg van het in het kader van de circulaire gehanteerde criterium ‘relevante werkervaring’ en het criterium ‘verwachte geschiktheid’ sprake is van een beleidswijziging of een gewijzigde gedragslijn van de korpschef bij de toepassing van deze criteria. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 20 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4224. De korpschef heeft daarom met toepassing van artikel 4:6 van de Awb mogen besluiten om niet terug te komen van de besluiten 13 juni 2013 en 11 juli 2013. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het door appellant 2 betaalde griffierecht aan hem wordt terug betaald.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten stellen zich evenals in beroep -kortgezegd- op het standpunt dat de korpschef op enig moment een gewijzigde gedragslijn is gaan volgen bij de toepassing van de criteria van het HAP-II loopbaanbeleid en wijzen daartoe op (gewijzigde) besluiten over een vijftal collega’s. De Raad volgt appellanten niet in dit standpunt. Uit de door appellanten overgelegde besluiten, waarbij de korpschef alsnog heeft geconcludeerd dat de betrokken collega’s aan de criteria van het HAP-II loopbaanbeleid voldeden en daarom bevorderd zijn, volgt niet dat de korpschef hier van de vaste gedragslijn is afgeweken. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

4.2.

Voorts is door appellanten aangevoerd dat door de rechtbank ten onrechte slechts eenmaal griffierecht is terugbetaald. Het bestreden besluit betreft vier personen (appellanten en [X]), namens wie mr. Hoogendoorn gezamenlijk beroep heeft ingesteld. Door de rechtbank zijn aan het beroep vier zaaknummers toegekend en is vervolgens in elke zaak afzonderlijk (in totaal vier maal) griffierecht geheven. Het beroep van [X] is op 20 mei 2019 ingetrokken. Omdat appellanten gezamenlijk met één beroepschrift beroep hebben ingesteld tegen hetzelfde bestreden besluit, is op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Awb eenmaal griffierecht verschuldigd. Volgens de aangevallen uitspraak wordt dit griffierecht door de rechtbank geheven in de zaak 17/4723. Dit betekent dat ten onrechte griffierecht is betaald in de zaken 18/586 en 18/588. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte bepaald dat alleen het griffierecht in de zaak 18/588 wordt terugbetaald. Hieruit volgt dat het hoger beroep in zoverre slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad bepalen dat de griffier van de rechtbank (ook) het betaalde griffierecht in de zaak 18/586, ten bedrage van €168,- aan appellant 1 terugbetaalt.

5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van €1.050,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist over terugbetaling van het griffierecht in de zaak UTR 18/586;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    bepaalt dat de griffier van de rechtbank het betaalde griffierecht in de zaak UTR 18/586 van € 168,- aan appellant 1 terugbetaalt;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1050,-;

  • -

    bepaalt dat de korpschef aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 259,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van E. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) E. Welling