Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
18/6561 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is het niet eens met de rechtbank. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Hij heeft gesteld dat het bestreden besluit berust op een onvoldoende medische grondslag en dat hij vanaf 24 september 2018 niet in staat was een van de geselecteerde functies te verrichten. Appellant heeft deze stelling niet met nieuwe argumenten onderbouwd en heeft geen relevante nieuwe medische gegevens overgelegd die zijn stelling kunnen ondersteunen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Appellant heeft gesteld dat hij niet in staat is lang te zitten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 13 juli 2018 en 1 november 2018 overtuigend onderbouwd waarom appellant niet beperkt wordt geacht voor zittend werk. Hij heeft ook goed gemotiveerd dat de beschikbare medische informatie geen steun biedt voor de stelling van appellant. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kenbaar gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht de functie van technisch werkvoorbereider uit te oefenen. Het beroep van appellant op het arrest Korošec om zijn grond te onderbouwen dat de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6561 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 december 2018, 18/4760 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.S. Sewman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft gewerkt als taxichauffeur. Vanaf eind 2011 heeft appellant zich meermalen ziek gemeld en heeft hij gedurende enkele perioden uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van 25 juli 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 18 augustus 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij nog in staat werd geacht om met zijn beperkingen een aantal voor hem passende functies uit te oefenen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 november 2016 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op 5 mei 2017 weer arbeidsongeschikt gemeld. Hij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellant vanaf 4 augustus 2017 ziekengeld verstrekt.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 maart 2018. Na overleg met een arbeidsdeskundige heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant in staat is om tenminste een van de bij de WIA beoordeling in augustus 2016 geselecteerde functies te verrichten. Het Uwv heeft bij besluit van 4 april 2018 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 9 april 2018 beëindigd, omdat hij zijn eigen werk weer kan verrichten, namelijk een van de genoemde functies. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 juli 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon instemmen met de in de genoemde FML opgenomen beperkingen voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 juli 2018 geconcludeerd dat appellant met die beperkingen nog in staat is om tenminste een van de genoemde functies te verrichten, namelijk de functie van technisch werkvoorbereider, planner.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het Uwv heeft gevolgd en een deskundige om advies had moeten vragen. In dat verband heeft appellant een beroep gedaan op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec).

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of het Uwv appellant terecht per 9 april 2018 in staat heeft geacht een van de eerder in het kader van de WIA geselecteerde functies te verrichten, met name de functie van technisch werkvoorbereider, planner. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de verzekeringsartsen terecht appellant niet beperkt hebben geacht op het aspect zitten in de FML. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd. Volgens de rechtbank is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en hebben de verzekeringsartsen op overtuigende wijze toegelicht in hoeverre appellant belast kan worden met werk. De rechtbank heeft advies door een deskundige niet nodig geacht.

4.3.

Appellant is het niet eens met de rechtbank. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Hij heeft gesteld dat het bestreden besluit berust op een onvoldoende medische grondslag en dat hij vanaf 24 september 2018 niet in staat was een van de geselecteerde functies te verrichten. Appellant heeft deze stelling niet met nieuwe argumenten onderbouwd en heeft geen relevante nieuwe medische gegevens overgelegd die zijn stelling kunnen ondersteunen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Appellant heeft gesteld dat hij niet in staat is lang te zitten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 13 juli 2018 en 1 november 2018 overtuigend onderbouwd waarom appellant niet beperkt wordt geacht voor zittend werk. Hij heeft ook goed gemotiveerd dat de beschikbare medische informatie geen steun biedt voor de stelling van appellant. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kenbaar gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht de functie van technisch werkvoorbereider uit te oefenen.

4.5.

Het beroep van appellant op het arrest Korošec om zijn grond te onderbouwen dat de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen slaagt niet. In overweging 4.5 van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag voor een deskundige. Die motivering is overtuigend.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) A.M.M. Chevalier