Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
18/6281 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:8765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt geacht voor laatst verrichte arbeid. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6281 ZW

Datum uitspraak: 27 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2018, 17/7027 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Matadien. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerker voor 40 uur per week bij een uitzendbureau, toen zij zich op 10 juli 2017 voor dit werk ziek meldde met enkelklachten. Haar dienstverband is op 10 juli 2017 geëindigd. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Op 3 oktober 2017 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft haar per 4 oktober 2017 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van productiemedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2017 de ZW‑uitkering van appellante per 4 oktober 2017 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 oktober 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het Uwv op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het onderzoek is gebaseerd op de anamnese, het eigen onderzoek door de verzekeringsarts en het gestelde in het bezwaarschrift en de hoorzitting van 24 oktober 2017. De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op grond van zijn eigen onderzoeksbevindingen de bevindingen van de behandelend fysiotherapeut gemotiveerd niet overneemt, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld had van de medische situatie van appellante. Appellante heeft voor het eerst in beroep de invloed van haar fysieke klachten op haar psychische gesteldheid benoemd, zodat het Uwv dit niet eerder had kunnen betrekken in zijn besluitvorming en appellante heeft dit standpunt verder niet onderbouwd. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom de door appellante in beroep overgelegde medische informatie niet leidt tot het innemen van een ander standpunt ten aanzien van haar belastbaarheid. Nu appellante voldoende de gelegenheid heeft gehad om tegenover de rapporten van de artsen van het Uwv informatie van haar behandelaars in te brengen en zij daarvan ook gebruik heeft gemaakt, is er volgens de rechtbank geen sprake van een schending van artikel 6 van het Europees verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig is geweest. Het Uwv had nadere medische informatie bij de fysiotherapeut en de orthopedisch chirurg moeten opvragen nu deze behandelaars een instabiliteit aan de rechter enkel bij appellante hebben vastgesteld, terwijl het standpunt van het Uwv is dat er geen sprake zou zijn van een objectief medisch substraat van de klachten en beperkingen. Dat begin 2018 door de behandelend artsen een ontsteking aan de rechter enkel van appellante is vastgesteld, waarbij zij van de specialist orthopedie en traumatologie het advies kreeg om deze niet te belasten, is in lijn met de door appellante bij de verzekeringsartsen aangegeven klachten en had moeten worden betrokken in de beoordeling. Appellante verwijst naar een in hoger beroep ingediende brief van het Goed Medisch Centrum van 2 juli 2018 waaruit blijkt dat er nog steeds sprake is van beperkingen aan het rechter been en de rechter enkel. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar ook had moeten bevragen over haar psychische klachten en een urenbeperking had moeten aannemen. Nu informatie van de behandelaars onvoldoende de mogelijkheid biedt om de conclusies van het Uwv te betwisten, is er sprake van strijdigheid met het beginsel van ‘equality of arms’.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 april 2019, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellante op het arrest Korošec is aanleiding over het hoger beroep te oordelen overeenkomstig de in die uitspraak onderscheiden stappen.

Stap 1: zorgvuldigheid van de beoordeling

4.3.

Appellante werd op het moment van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet behandeld door een arts. Zij volgde wel een behandeling bij een fysiotherapeut, die volgens appellante heeft geconstateerd dat haar rechter enkel instabiel is. Naar aanleiding van deze mededeling van appellante hebben zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij appellante een gericht onderzoek verricht naar de eventuele instabiliteit van de rechter enkel. Gelet op de eenduidige bevindingen uit hun onderzoeken hebben de verzekeringsartsen geen aanleiding behoeven te zien nadere informatie bij de fysiotherapeut van appellante in te winnen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek. De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat het onderzoek naar eventuele psychische klachten van appellante voldoende is geweest. Door de verzekeringsarts is een oriënterend psychisch onderzoek verricht. De bevindingen uit dat onderzoek, in samenhang met het feit dat appellante zelf geen psychische klachten naar voren heeft gebracht, gaven de verzekeringsartsen terecht geen aanleiding voor een verdergaand psychisch onderzoek.

Stap 2: equality of arms

4.4.

Appellante heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat het medisch oordeel van het Uwv onjuist is. Zij heeft van deze mogelijkheid ook gebruikt gemaakt door zowel in beroep als in hoger beroep medische informatie van haar behandelaars in te dienen. Uit deze informatie komen de klachten van appellante, de bevindingen van de behandelend artsen daaromtrent en het door hen voorgestane beleid naar voren. Uit het arrest Korošec (arrest van 8 oktober 2015 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als die van appellante, waarin informatie van behandelaars over haar aandoeningen en de onderzoeksbevindingen aanwezig zijn, van welke informatie niet gezegd kan worden dat die naar zijn aard niet geschikt is om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen en welke informatie door de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk bij hun beoordeling is betrokken zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.5.

In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen reden gezien om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. De verzekeringsartsen hebben de rechter enkel van appellante op 3 oktober 2017 en 24 oktober 2017 gericht onderzocht. Beide artsen hebben bij hun respectievelijke onderzoeken geen enkele afwijking of functionele beperking aan de rechter enkel geconstateerd. Bij het onderzoek door de verzekeringsarts op 3 oktober 2017 was er geen sprake van een zwelling, ontsteking of functiebeperking van de rechter enkel. Bij zijn onderzoek op 24 oktober 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconstateerd dat, behoudens een lichte gevoeligheid bij aanraking, er evident geen sprake was van een ontstoken of instabiele rechter enkel. Dat op een later moment, zoals blijkt uit de informatie van de behandelend artsen van appellante van 25 januari 2018, 31 januari 2018 en 14 februari 2018, bij appellante sprake is geweest van een ontsteking in de rechter enkel kan niet afdoen aan de eensluidende bevindingen van de verzekeringsartsen bij hun onderzoeken op of omstreeks de datum in geding. Hetzelfde heeft te gelden voor de informatie van het Goed Medisch Centrum van 2 juli 2018, waaruit blijkt dat inmiddels bij appellante sprake is van vocht in de rechter enkel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn standpunt dat uit deze informatie van de behandelaars niet blijkt dat op 4 oktober 2016 (datum in geding) bij appellante sprake was van functionele beperkingen aan de rechter enkel die haar ongeschikt maakten voor de werkzaamheden van productiemedewerker. Evenmin is gebleken dat de psychische gesteldheid van appellante op de datum in geding aan het verrichten van dergelijke werkzaamheden in de weg stond. De verzekeringsarts heeft bij een oriënterend psychisch onderzoek op 3 oktober 2017 bij appellante geen kenmerken gevonden van een stemmings- of depressieve stoornis en evenmin aanwijzingen voor psychopathologie of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Appellante heeft tegenover de verzekeringsartsen van psychische klachten ook geen melding gemaakt.

5. De overwegingen in 4.3 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) C.M. van de Ven