Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
18/3225 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Appellante wordt geacht meer te kunnen verdienen dan 65% van haar maatmaninkomen. Nieuwe ziekmelding. Weigering aanvraag in behandeling te nemen. Geen spraken van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden. Besluit niet evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3225 ZW

Datum uitspraak: 27 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 april 2018, 17/5136 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. R.A. Röschlau, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 16 juli 2020. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Röschlau. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
G. Sjoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als postsorteerder en heeft zich voor dit werk ziekgemeld op
8 april 2013. Het Uwv heeft aan appellante ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 14 maart 2014 de ZW-uitkering van appellante per 8 mei 2014 beëindigd, omdat zij in staat is geacht meer te verdienen dan 65% van haar maatmaninkomen. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij besluit van 2 oktober 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij uitspraak van 30 oktober 2015 het beroep van appellante ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 26 oktober 2016 bevestigd. De besluiten van 14 maart 2014 en 2 oktober 2014 zijn in rechte komen vast te staan.

1.2.

Appellante heeft zich op 30 januari 2017 alsnog per 8 mei 2014 ziekgemeld. Bij besluit van 7 februari 2017 heeft het Uwv geweigerd haar aanvraag in behandeling te nemen en geweigerd aan appellante ziekengeld toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 november 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat geen sprake is van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden die ertoe moeten leiden dat zij alsnog per 8 mei 2014 in aanmerking moet komen voor ziekengeld.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellante haar standpunt, dat sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden, niet onderbouwd met medische gegevens of andere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat zij per 8 mei 2014 niet in staat was om meer dan 65% van het maatmanloon te verdienen. De gemachtigde van appellante heeft ook verklaard dat hij inderdaad geen nieuwe stukken heeft kunnen overleggen. Daarom is de zaak niet anders dan enkele jaren geleden. Het Uwv heeft daarom volgens de rechtbank terecht beslist dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en terecht geconcludeerd dat er geen aanleiding is om terug te komen van het besluit van 14 maart 2014.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat moet worden teruggekomen van het besluit van 14 maart 2014. Zij houdt staande dat destijds niet alle gegevens uit het medisch dossier bekend waren bij het Uwv en dat dus niet alle medische informatie bij de beoordeling is betrokken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De ziekmelding van appellante per 8 mei 2014 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 14 maart 2014. Het Uwv heeft dit verzoek afgewezen en daarbij toepassing gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.3.

De bestuursrechter toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de Raad niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:CRVB:2016:5115).

4.4.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.5.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht heeft geconstateerd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en daarom geen aanleiding heeft hoeven zien om terug te komen van het besluit van 14 maart 2014. De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat het Uwv bevoegd was om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van appellante af te wijzen. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven.

4.5.2.

In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2020.

(getekend) A.T. Kwaasteniet

(getekend) L.E. König