Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
18/1239 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:918, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de Svb en anders dan de rechtbank en betrokkenen van oordeel dat uit de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden volgt dat in de situatie van betrokkenen geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het feit dat zij nooit hebben samengewoond en naar eigen zeggen niet de intentie hebben om te gaan samenwonen, doet hier niet aan af. De echtelijke samenleving kan immers bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Uit wat is overwogen volgt dat de Svb in de situatie van betrokkenen terecht geen duurzaam gescheiden leven heeft aangenomen. De Svb was dan ook gehouden het ouderdomspensioen van betrokkenen te herzien naar voor een gehuwde pensioengerechtigde en het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen van betrokkenen terug te vorderen. Betrokkenen hebben tegen de terugvordering geen aparte gronden gericht. Hieruit volgt dat de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1239 AOW, 18/1240 AOW

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 februari 2018, 17/2534 en 17/2535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene 1] te [woonplaats] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] te [woonplaats] (betrokkene 2)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkenen ontvingen een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). [In] 2016 zijn betrokkenen met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan. Enkele weken hierna heeft de Svb een onderzoek ingesteld om te bezien of bij betrokkenen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. De resultaten van het onderzoek zijn voor ieder van betrokkenen neergelegd in een rapport met bijlagen van 15 december 2016.

1.2.

De Svb heeft naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek bij besluiten van 19 januari 2017 de ouderdomspensioenen van betrokkenen met ingang van 1 november 2016 herzien naar een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde en het teveel betaalde ouderdomspensioen over november en december 2016 van betrokkenen teruggevorderd. Hierbij gaat het bij beiden om een bedrag van € 711,82. Bij besluiten van 28 april 2017 (bestreden besluiten) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 19 januari 2017 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat bij betrokkenen geen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

2.1.

Betrokkenen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Volgens hen is wel sprake van duurzaam gescheiden leven omdat zij ieder apart hun eigen leven leiden in hun eigen huis. Dit is niet gewijzigd na het aangaan van het geregistreerd partnerschap.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling over vergoeding van het griffierecht, de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de besluiten van 19 januari 2017 herroepen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat betrokkenen niet duurzaam gescheiden leven.

3.1.

De Svb heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

Betrokkenen hebben in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 1, tweede lid, van de AOW, bepaalt dat voor de AOW en daarop rustende bepalingen wordt gelijkgesteld:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. echtgenoten: geregistreerde partners;

c. gehuwd: als partner geregistreerd;

d. gehuwde: als partner geregistreerde.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.1.3.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) is van duurzaam gescheiden leven eerst sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

4.1.4.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2400) kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van het huwelijk (of geregistreerd partnerschap) de betrokkenen de intentie hebben − al dan niet op termijn − een echtelijke samenleving aan te gaan, maar valt niet uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum (of datum van het geregistreerd partnerschap) van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen.

4.1.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet relevant (vergelijk de uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).

4.2.

De Raad is met de Svb en anders dan de rechtbank en betrokkenen van oordeel dat uit de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden volgt dat in de situatie van betrokkenen geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Betrokkenen hebben regelmatig telefonisch contact en contact per email, zij bezoeken elkaar regelmatig en zij ondernemen samen regelmatig activiteiten zoals een dagje weg, op bezoek bij vrienden en uit eten gaan. Het feit dat zij nooit hebben samengewoond en naar eigen zeggen niet de intentie hebben om te gaan samenwonen, doet hier niet aan af. De echtelijke samenleving kan immers bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. In dit geval is verder nog van belang dat het om erfrechtelijke redenen aangaan van het geregistreerd partnerschap erop wijst dat betrokkenen willen zorgdragen voor elkaars financiële toekomst en elkaar aldus het nodige willen verschaffen. In de door de rechtbank genoemde uitspraken van 14 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6807, en 15 april 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI0648, waarin duurzaam gescheiden leven is aangenomen, was sprake van een ander feitencomplex, waarbij de weging van de relevante feiten en omstandigheden heeft geleid tot een andere uitkomst. Hetzelfde geldt voor de door betrokkenen in verweer in hoger beroep genoemde uitspraak van 1 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:612.

4.3.

Uit wat bij 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal vervolgens de beroepen tegen de bestreden besluiten beoordelen.

4.4.

Uit wat bij 4.2 is overwogen volgt dat de Svb in de situatie van betrokkenen terecht geen duurzaam gescheiden leven heeft aangenomen. De Svb was dan ook gehouden het ouderdomspensioen van betrokkenen te herzien naar voor een gehuwde pensioengerechtigde en het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen van betrokkenen terug te vorderen. Betrokkenen hebben tegen de terugvordering geen aparte gronden gericht.

4.5.

Uit wat bij 4.4 is overwogen volgt dat de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond zijn.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.E.M. Boon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.