Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
19/3948 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De diplomatermijn is bij appellante aangevangen op 1 september 2006, zodat deze op 31 augustus 2016 is geëindigd. Appellante heeft het afsluitend examen niet voor laatstgenoemde datum met goed gevolg behaald. Gelet op artikel 5.7, derde lid, van de Wsf 2000 is omzetting van de genoten prestatiebeurs daarom in beginsel pas mogelijk als de diplomatermijn wordt verlengd, in het voorliggende geval op basis van de regeling die is neergelegd in artikel 5.16, eerste en vijfde lid, van de Wsf 2000. Toetsingskader, vaste rechtspraak. De bij appellante ontstane studievertraging is volgens de UvA niet het gevolg van bijzondere omstandigheden, maar van appellantes (eigen) planning om de studie versneld af te ronden. De Raad wijst voor het hier aan de orde zijnde beoordelingskader ook op zijn uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1656. De weigering van de beslissingsbevoegde studentendecaan om een ondersteunende verklaring over de studievertraging af te geven is gemotiveerd en de motivering is inzichtelijk en consistent. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16 van de Wsf 2000. Appellante wordt niet gevolgd in haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat zij uit het feit dat haar oorspronkelijke verzoek om omzetting prestatiebeurs, met inachtneming van haar situatie, is ‘getransformeerd’ naar een verzoek verlenging diplomatermijn, het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat haar verzoek zou worden gehonoreerd. De minister heeft het verzoek om verlenging van de diplomatermijn mogen afwijzen en die afwijzing mocht bij het bestreden besluit worden gehandhaafd. De rechtbank is terecht tot datzelfde oordeel gekomen. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/3948 WSF

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

6 augustus 2019, 19/1641 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.W.M. van Erp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft, met instemming van partijen en overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, door middel van een videoverbinding plaatsgevonden op 17 juni 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen appellante, bijgestaan door mr. Van Erp, en de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft vanaf 1 september 2006 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, laatstelijk voor haar masteropleiding Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), die zij op 31 juli 2017 heeft afgesloten.

1.2.

Op 16 augustus 2017 heeft appellante een verzoek ‘Voorziening hoger onderwijs bij bijzondere omstandigheden’ ingediend. Zij heeft daarin verzocht haar prestatiebeurs om te zetten in een gift.

1.3.

Bij besluit van 8 november 2017 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat ‘(haar) situatie in acht nemend’ een verzoek om verlenging van de diplomatermijn passender is en voor de beoordeling daarvan nadere informatie opgevraagd.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2018 heeft de minister het verzoek van appellante afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 12 maart 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 december 2018 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het verzoek om verlenging van de diplomatermijn niet wordt ondersteund door de onderwijsinstelling. Slechts bij hoge uitzondering kan de diplomatermijn van tien jaar worden verlengd. Dit gebeurt alleen in gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden. De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen dat uit verklaringen van het bestuur van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven zal moeten blijken dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlengen van de diplomatermijn. In dit geval moet de UvA zich uitlaten over het verzoek van appellante. Een verklaring van het UvA ontbreekt echter. Deze verklaring is wel nodig, omdat de onderwijsinstellingen door de wetgever het beste in staat worden geacht zich een beeld te vormen van het causale verband tussen de gestelde bijzondere omstandigheden en de mogelijkheden tot succesvol studeren. Nu deze verklaring ontbreekt, wordt al niet aan de toepassingsvoorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn voldaan. Weliswaar kan in uitzonderlijke gevallen zonder een dergelijke verklaring de diplomatermijn worden verlengd. Dit kan wanneer de motivering van de weigering onvoldoende is of onredelijk. De onderwijsinstelling heeft geweigerd een verklaring af te geven, omdat appellante een driejarige masteropleiding ging volgen terwijl zij nog maar twee jaar diplomatermijn had. De minister heeft deze motivering niet onvoldoende of onredelijk gevonden. Ook de rechtbank kan deze redenering volgen. Dit betekent dat de minister geen uitzondering hoefde te maken op het vereiste een verklaring te overleggen. Dat appellante zich goed heeft laten informeren en een plan had om binnen twee jaar een masteropleiding van drie jaar succesvol af te ronden, is een mooi streven. Het komt echter wel voor haar risico als zij dit plan niet haalt. Verder is de rechtbank van oordeel dat appellante uit de brief van 8 november 2017 niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de diplomatermijn zou worden verlengd of dat (een deel van) haar prestatiebeurs zou worden omgezet. In die brief is namelijk geen toezegging gedaan. De mededeling dat een andere aanvraag passender is, betekent nog niet dat deze aanvraag ook zal worden toegewezen.

3. Appellante heeft in hoger beroep in hoofdlijnen herhaald wat zij eerder heeft aangevoerd en daarbij naar voren gebracht dat de rechtbank de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeerde onvoldoende in haar beoordeling heeft betrokken en dat het ontbreken van een ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling haar niet mag worden tegengeworpen. Ten onrechte heeft de rechtbank in haar afweging onvoldoende betrokken het streven van appellante om haar studie af te ronden in minder tijd dan daarvoor nominaal stond, waarbij zij vooraf heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden en een praktisch haalbare weg daar naartoe heeft uitgestippeld. Tot slot heeft appellante herhaald, en nader onderbouwd, dat zij uit de handelwijze van de minister heeft mogen afleiden dat haar verzoek kans van slagen had en ook dat zij erop mocht vertrouwen dat het zou worden gehonoreerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Ingevolge artikel 5.5 van de Wsf 2000 is de diplomatermijn hoger onderwijs een periode van tien jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.

4.1.2.

Ingevolge artikel 5.7, derde lid, van de Wsf 2000 wordt, voor zover hier van belang, indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo‑bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo‑masteropleiding afrondt, de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift.

4.1.3.

Artikel 5.16, eerste lid, van de Wsf 2000 luidt als volgt:

Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.

4.1.4.

Artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 luidt als volgt:

Onze Minister stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.

4.2.

De diplomatermijn is bij appellante aangevangen op 1 september 2006, zodat deze op 31 augustus 2016 is geëindigd. Appellante heeft het afsluitend examen niet voor laatstgenoemde datum met goed gevolg behaald. Gelet op artikel 5.7, derde lid, van de Wsf 2000 is omzetting van de genoten prestatiebeurs daarom in beginsel pas mogelijk als de diplomatermijn wordt verlengd, in het voorliggende geval op basis van de regeling die is neergelegd in artikel 5.16, eerste en vijfde lid, van de Wsf 2000.

4.3.1.

In zijn uitspraken van onder meer 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781, en 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:224, heeft de Raad onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 5.5 en 5.16 van de Wsf 2000 de bedoeling van de wetgever en, daarmee samenhangend, het toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om verlenging van de diplomatermijn uiteengezet. Dat toetsingskader geldt ook in deze zaak.

4.3.2.

Uit artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 5.16 van de Wsf 2000 volgt dat het primair aan de student is om gegevens over de bijzondere omstandigheden te leveren. Volgens laatstgenoemd artikel kan dat ‘uitsluitend’ aan de hand van een (ondersteunende) verklaring van de onderwijsinstelling en, bij medische problematiek, ook van een arts. Het gaat er hier om dat duidelijk is welk standpunt de onderwijsinstelling inneemt en, in voorkomende gevallen de arts, over de invloed van de gestelde omstandigheden op de opgelopen studievertraging. Is de verklaring niet inzichtelijk en consistent gemotiveerd of niet zorgvuldig voorbereid, dan kan de minister de onderwijsinstelling bevragen.

4.4.

Nu de vertraging zich heeft voorgedaan tijdens de laatste fase van de studie aan de UvA is dat de meest gerede instelling om een standpunt in te nemen. De UvA heeft het verzoek van appellante niet willen ondersteunen omdat zij aan de laatste fase van haar opleiding is begonnen op een moment dat zij 12 maanden minder studieduur had dan voor nominaal voor het resterende deel van haar studie stond. Daarmee is de studievertraging volgens de UvA niet het gevolg van bijzondere omstandigheden, maar van appellantes (eigen) planning om de studie versneld af te ronden. De Raad wijst voor het hier aan de orde zijnde beoordelingskader ook op zijn uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1656.

4.5.1.

De verklaring met het standpunt van de onderwijsinstelling is in beginsel een gegeven en daarom is in het voorliggende geval nog slechts de vraag aan de orde of die (niet‑ondersteunende) verklaring zorgvuldig tot stand is gekomen en of deze inzichtelijk en consistent is gemotiveerd.

4.5.2.

Uit de gegevens in het dossier volgt dat appellante de beslissingsbevoegde studentendecaan van haar opleiding heeft benaderd met het verzoek een ondersteunende verklaring over de studievertraging af te geven. De weigering van deze decaan om die verklaring af te geven is gemotiveerd en de motivering is inzichtelijk en consistent. Uit wat appellante naar voren heeft gebracht is niet gebleken dat de decaan niet over voldoende informatie beschikte om de situatie van appellante goed te kunnen beoordelen, of dat de verklaring anderszins niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de gegevens in het dossier volgt dat de studentendecaan op de hoogte was van de door appellante aangedragen omstandigheden, maar deze hebben niet tot een voor appellante gunstige beoordeling geleid, ook niet nadat appellante daarover nog overleg heeft gehad. Dat de studentendecaan en appellante in het verleden over verschillende (financiële) kwesties aanvaringen hebben gehad is gesteld en met enkele stukken onderbouwd, maar dat de verklaring op deze grond onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, volgt daaruit onvoldoende. Dat de aanvaringen (mogelijk) mede de reden van de weigering waren, is niet komen vast te staan. Als appellante het niet eens was met de motivering van de verklaring, dan zou zij daarover bovendien formeel bij de onderwijsinstelling hebben kunnen klagen, maar zij heeft daartoe niet besloten. Met de verklaring is daarom gegeven dat de studievertraging als gevolg van aangevoerde bijzondere omstandigheden niet op de voorgeschreven wijze is aangetoond. Dat een (niet beslissingsbevoegde) studentendecaan van een andere faculteit het verzoek van appellante zou hebben willen ondersteunen, betekent niet dat de niet-ondersteunende verklaring de terughoudende rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.4 tot en met 4.5.2 volgt dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16 van de Wsf 2000.

4.7.1.

Appellante wordt niet gevolgd in haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat zij uit het feit dat haar oorspronkelijke verzoek om omzetting prestatiebeurs, met inachtneming van haar situatie, is ‘getransformeerd’ naar een verzoek verlenging diplomatermijn het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat haar verzoek zou worden gehonoreerd.

4.7.2.

Er is geen aanleiding om in de transformatie van het verzoek een (concrete) toezegging te lezen waaraan appellante enig vertrouwen heeft mogen ontlenen. Niet alleen biedt de tekst van de mededeling van de minister daarvoor onvoldoende houvast, maar in dit verband kan ook worden gewezen op de toelichting bij het formulier waarmee appellante een ‘voorziening prestatiebeurs’ heeft aangevraagd. In het formulier worden de verschillende mogelijkheden opgesomd en bij eerste lezing is direct duidelijk dat het verzoek omzetting prestatiebeurs, waarvoor appellante aanvankelijk had gekozen, geen kans van slagen zou kunnen hebben, omdat appellante het verzoek indiende toen zij haar studie had afgerond. Omdat de aangevoerde omstandigheden erop duidden dat appellante wegens tijdelijke omstandigheden vertraging had opgelopen, waardoor verlenging van de diplomatermijn nodig was, is het verzoek terecht getransformeerd en bezien of zo’n verzoek zou kunnen worden ingewilligd. Zo moet redelijkerwijs ook de hierop betrekking hebbende formulering van de minister (‘uw situatie in acht nemend’) worden begrepen.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de minister het verzoek om verlenging van de diplomatermijn heeft mogen afwijzen en dat die afwijzing bij het bestreden besluit mocht worden gehandhaafd. De rechtbank is terecht tot datzelfde oordeel gekomen. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) F.E.M. Boon