Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
18/1091 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en boete. Schending inlichtingenverplichting. Niet woonachtig op opgegeven adres. Voor de boete is terecht uitgegaan van grove schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/401
NJB 2020/2102
USZ 2020/232
RSV 2020/204
JB 2020/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1091 PW, 19/2050 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van

11 januari 2018, 17/1956 (aangevallen uitspraak 1) en van 1 april 2019, 18/1764
(aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Selçuk, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand sinds 18 mei 2010, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellante stond sinds 22 augustus 2012 in de gemeentelijke basisadministratie, thans basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het door haar opgegeven adres te [gemeente] (uitkeringsadres).

1.2.

Appellante heeft op 24 januari 2017 telefonisch contact opgenomen met een inkomensconsulent van de gemeente [gemeente] met de vraag of zij een postadres kon krijgen. Op de vraag waar deze vraag vandaan komt, gelet op haar inschrijving in de BRP op het uitkeringsadres, heeft appellante geantwoord dat zij sinds ergens eind 2016 niet meer op het uitkeringsadres woont in verband met een verbouwing en sinds haar vertrek meerdere slaapadressen heeft gehad. Op het moment van het telefoongesprek verbleef zij bij een vriendin buiten [gemeente] . Naar aanleiding van deze mededeling van appellante hebben een sociaal rechercheur, werkzaam bij de gemeente Deventer en een andere consulent (consulent) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand, waarbij appellante is uitgenodigd voor een gesprek op 3 februari 2017. Tijdens een telefoongesprek op 2 februari 2017, dat werd gevoerd omdat appellante zich wilde afmelden voor het gesprek op 3 februari 2017, heeft appellante aan de consulent meegedeeld dat zij sinds ongeveer een maandje niet meer op het uitkeringsadres woonde. In het onderzoek is vervolgens vastgesteld dat anderen sinds 26 juli 2016 op het uitkeringsadres staan ingeschreven en er wonen, en dat appellante sinds die datum niet meer op het uitkeringsadres woont. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 februari 2017.

1.3.

De bevindingen uit het onderzoek vormden voor het college aanleiding om bij besluit van 17 februari 2017 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juli 2017 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 26 juli 2016 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 26 juli 2016 tot en met 31 december 2016 tot een bedrag van € 6.068,82 van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van het feit dat zij sinds 26 juli 2016 niet meer op het uitkeringsadres woont, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 2 februari 2018 (besluit 2) heeft het college appellante een boete opgelegd van € 4.957,80. Bij besluit van 6 augustus 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, besluit 2 herroepen voor zover het de hoogte van de boete betreft en deze vastgesteld op 75% van het benadelingsbedrag, te weten
€ 3.718,35. Het college is daarbij uitgegaan van grove schuld, omdat appellante in eerste instantie in juli 2016 niet had doorgegeven dat zij toen al niet meer op het uitkeringsadres woonde en het begin 2017 bij twee gelegenheden deed voorkomen dat zij er pas sinds eind 2016 niet meer woont.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 26 juli 2016, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 17 februari 2017, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en het college tijdig telefonisch heeft geïnformeerd over haar situatie, waarna haar is medegedeeld dat ze bij anderen kon logeren tot ze definitieve woonruimte had gevonden. Daartoe heeft zij een lijst overgelegd met telefonische contactmomenten met de gemeente in de periode van mei 2016 tot en met maart 2017. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu uit de lijst niet blijkt met wie appellante heeft gesproken en wat de inhoud is geweest van de gesprekken. Bovendien is 22 augustus 2016 de datum van het laatste contactmoment dat vóór 23 januari 2017 op de lijst wordt vermeld. Gelet op het feit dat appellante op 24 januari 2017 heeft verklaard dat zij pas sinds eind 2016 niet meer op het uitkeringsadres woont, is niet aannemelijk dat zij in de contacten tot en met 22 augustus 2016 heeft gemeld dat zij er toen al niet meer woonde. Dat het college geen telefoonnotities heeft bijgehouden van de gevoerde gesprekken tijdens de contactmomenten, leidt niet tot een ander oordeel.

4.3.

Door geen mededeling te doen van het feit dat zij sinds 26 juli 2016 niet meer haar hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Indien een betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht heeft op bijstand.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode wel kan worden vastgesteld, omdat zij bij vriendinnen in [gemeente] logeerde. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu appellante haar stelling niet heeft onderbouwd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, nu onduidelijk is waar het hoofdverblijf van appellante in de te beoordelen periode is geweest.

4.5.

Appellante heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak dient te worden bevestigd.

Bestuurlijke boete (aangevallen uitspraak 2)

4.7.

Op grond van artikel 18a van de PW legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, en de tekst van artikel 18a van de PW en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per 1 januari 2017 luiden.

4.8.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was daarom gehouden een boete op te leggen.

4.9.

Een beboetbare gedraging leidt bij normale verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van de bijstandverlenende instantie om aan te tonen dat de betrokkene met opzet of grove schuld heeft gehandeld.

4.10.

Appellante heeft aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbaar handelen in de zin van grove schuld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft niet gemeld dat zij vanaf 26 juli 2016 niet meer op het uitkeringsadres woont. Verder heeft zij op 24 januari 2017 op een vraag van de consulent geantwoord dat zij sinds ‘ergens eind 2016’ niet meer op het uitkeringsadres woont en op 2 februari 2017 telefonisch meegedeeld dat zij sinds ’een maandje’ niet meer op het uitkeringsadres woont, wat onjuist is. Aldus heeft appellante bij herhaling naar aanleiding van vragen van het college onjuiste informatie verstrekt. Het college is terecht uitgegaan van grove schuld.

4.11.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807) is bij grove schuld 75% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de bepaling en afstemming van de boete. De in dit geding gebleken verwijtbaarheid van appellante, de omstandigheden waaronder zij de overtreding heeft begaan en haar persoonlijke omstandigheden vormen geen aanleiding om van een ander bedrag dan € 3.718,35 uit te gaan. De opgelegde boete is evenredig.

4.12.

Uit 4.8 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat ook deze uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2020.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) R.B.E. van Nimwegen