Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
18/541 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:9936, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en boete. Bezit onroerend goed in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 541 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2017, 17/3157 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020. Namens appellanten is

mr. Kaya verschenen. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 1 oktober 2009 bijstand van de Svb op grond van de Wet werk en bijstand, in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen

(AIO-aanvulling). Met ingang van 8 augustus 2014 heeft de Svb de AIO-aanvulling beëindigd, omdat appellanten langer in het buitenland verbleven dan de toegestane periode van dertien weken.

1.2.

Op 18 oktober 2014 hebben appellanten opnieuw een AIO-aanvulling aangevraagd. Op het aanvraagformulier hebben appellanten de vraag of zij een woning, een stuk grond of ander onroerend goed in het buitenland bezitten, bevestigend beantwoord. Zij hebben daarbij te kennen gegeven dat appellante in het bezit is van een “kleine woning bgg grond” met een waarde van € 30.000,-. De Svb heeft appellanten vervolgens enkele malen verzocht om nadere informatie, waaronder een taxatierapport van de woning en de kimlik-nummers van appellanten. Appellanten hebben de gevraagde informatie niet verstrekt. De Svb heeft daarna de behandeling van de aanvraag stopgezet.

1.3.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de al verleende

AIO-aanvulling heeft de Svb appellanten verzocht om bewijsstukken waaruit de waarde van de woning in Turkije in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 7 augustus 2014 blijkt, of bewijsstukken waaruit blijkt wanneer appellanten de woning hebben aangekocht, voor welk bedrag dit was en hoe zij de aankoop hebben gefinancierd. Op 3 november 2015 hebben appellanten de Svb enkele in de Turkse taal gestelde stukken toegezonden, waaronder een stuk gedateerd 19 oktober 1976, waaruit is op te maken dat appellante voor de helft eigenaar is van een stuk grond in Turkije. Naar aanleiding van nadere verzoeken van de Svb om bewijsstukken heeft de dochter van appellanten de Svb meegedeeld dat appellanten niet in staat zijn andere bewijsstukken over te leggen.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 11 april 2016 de AIO-aanvulling met ingang van 1 oktober 2009 te beëindigen (lees: in te trekken). Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten beschikken over een vermogen boven de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen. Appellanten hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

1.5.

Bij besluit van 14 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb de over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 7 augustus 2014 gemaakte kosten van AIO-aanvulling tot een bedrag van € 22.480,74 van appellanten teruggevorderd. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten, door niet te melden dat zij beschikken over een woning in Turkije, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij als gevolg daarvan ten onrechte

AIO-aanvulling hebben ontvangen. Daarnaast heeft de Svb appellanten wegens het schenden van de inlichtingenverplichting over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 7 augustus 2014 een boete opgelegd van € 4.913,13. De hoogte van de boete is als volgt berekend. Over de periode van 1 oktober 2009 tot 1 januari 2013 heeft de Svb de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag (van € 15.831,34). De hoogte van de boete over die periode komt daardoor uit op € 1.583,13. Over de periode van 1 januari 2013 tot en met 7 augustus 2014 heeft de Svb de boete, uitgaande van normale verwijtbaarheid, vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag (van € 6.649,40) en de uitkomst naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. De hoogte van de boete over laatstgenoemde periode komt daarmee uit op € 3.330,-. Het totale bedrag van de boete is de som van de over beide periodes berekende boetes.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat is gericht tegen de boete, gegrond verklaard, dit besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 14 september 2016 in zoverre herroepen en de boete vastgesteld op een bedrag van € 4.907,83. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld:

a. a) dat de Svb gehouden was om de teveel aan appellanten uitgekeerde AIO-aanvulling van hen terug te vorderen en dat in hun geval geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien;

b) dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet tijdig bij de Svb te melden dat zij een woning in Turkije bezitten, zodat de Svb gehouden was hen een boete op te leggen;

c) dat de Svb de boete over de periode vóór 1 januari 2013 terecht heeft vastgesteld op € 1.583,13;

d) dat de Svb voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2013 terecht is uitgegaan van normale verwijtbaarheid, zodat een boete van 50% van het benadelingsbedrag op zijn plaats is;

e) dat in wat appellanten hebben aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen die aanleiding vormen voor verdere matiging van de boete; en

f) dat met ingang van 1 januari 2017 een boete niet meer naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-, dat met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling moet worden toegepast en dat dit betekent dat in het geval van appellanten over de periode vanaf 1 januari 2013 een boete van € 3.324,70 passend en geboden is, waarbij de totale boete uitkomt op € 4.907,83.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de boete heeft vastgesteld op € 4.907,83 en het beroep ongegrond heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Terugvordering

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten gedurende de periode van 1 oktober 2009 tot en met 7 augustus 2014 de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het bezit van een woning in Turkije. Als gevolg daarvan hebben appellanten ten onrechte AIO-aanvulling ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet was de Svb daarom in beginsel verplicht de kosten van de AIO-aanvulling terug te vorderen.

4.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellanten zijn oudere, minder capabele mensen die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Zij hebben aanvankelijk niet begrepen dat er op de formulieren gevraagd werd naar bezittingen in Turkije. Zodra zij begrepen dat hiernaar gevraagd werd, hebben zij meteen uit eigen beweging informatie over de woning van appellante in Turkije verstrekt. Uit de handelwijze van appellanten kan in alle redelijkheid worden afgeleid dat zij niet het plegen van fraude en zo het misbruik van de sociale zekerheid op het oog hadden. De financieel ingrijpende consequenties die appellanten in dit geval ondervinden wegens het enkele feit dat zij een vraag niet begrepen zijn buitenproportioneel.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in 4.2 doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Appellanten hebben met wat zij hebben aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. De omstandigheden dat appellanten oudere, minder capabele mensen zijn die de Nederlandse taal niet machtig zijn en zij niet het plegen van fraude op het oog hadden, kunnen niet worden aangemerkt als dringende redenen als hiervoor bedoeld. Deze omstandigheden zijn immers niet het gevolg van de terugvordering. Verder is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellanten hebben bij de invordering als schuldenaren de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Boete

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten over de periode van 14 september 2011 tot en met 7 augustus 2014 de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het bezit van een woning in Turkije. Voor het opleggen van een boete is de overtreding van de inlichtingenverplichting op zichzelf niet voldoende, omdat ook is vereist dat de betrokkene daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

4.5.

Appellanten hebben aangevoerd dat hen geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding van de inlichtingenverplichting. Ter onderbouwing hiervan hebben appellanten verwezen naar wat zij in het kader van de terugvordering onder 4.2 naar voren hebben gebracht.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Van de schending van de inlichtingenverplichting kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het had appellanten redelijkerwijs duidelijk kunnen en ook moeten zijn dat het bezit van een woning van invloed kan zijn op het recht op AIO-aanvulling. Zowel op het in 2009 ingediende aanvraagformulier voor de AIO-aanvulling als op de door hen ingeleverde heronderzoeksformulieren hebben appellanten de vraag of zij onroerende zaken bezitten steeds ontkennend beantwoord. Appellanten zijn zelf verantwoordelijk voor wat zij op de formulieren invullen of laten invullen. Dat appellanten al ouder zijn en de Nederlandse taal niet machtig zijn, ontslaat hen niet van deze verantwoordelijkheid. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast.

4.7.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat zij het bezit van de woning in Turkije uit eigen beweging hebben gemeld. Daarnaast dienen de sociale en persoonlijke omstandigheden van appellanten, hun leeftijd en hun welwillendheid en bereidheid om mee te werken aan het verstrekken van inlichtingen mee te wegen in de mate van verwijtbaarheid.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellanten hebben weliswaar zelf gemeld in het bezit te zijn van een woning in Turkije, maar dit was in het kader van een nieuwe aanvraag om AIO-aanvulling op 18 oktober 2014. Appellanten wordt verweten de inlichtingenverplichting te hebben geschonden over een afgesloten periode in het verleden. Bovendien hebben appellanten op verzoeken van de Svb om nadere informatie over het bezit van de woning aanvankelijk niet gereageerd. Pas nadat de Svb zelf een onderzoek had ingesteld naar de rechtmatigheid van de eerder verleende AIO-aanvulling hebben appellanten enkele stukken verstrekt. Gelet hierop kunnen appellanten niet worden aangemerkt als “zelfmelder” als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Ook voor het overige is niet gebleken van feiten of omstandigheden die dienen te leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

4.9.

Appellanten hebben verder geen gronden tegen de hoogte van de boete aangevoerd. De door de rechtbank vastgestelde boete van € 4.907,83 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellanten gebleken omstandigheden. De Raad ziet geen aanleiding om tot een andere vaststelling te komen en acht de door de rechtbank vastgestelde boete hier dan ook passend en geboden.

Slotoverwegingen

4.10.

Op grond van wat in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking voor zover deze is aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2020.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A.A.H. Ibrahim