Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
17/6386 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Uit de beschikbare medische gegevens is niet gebleken dat met deze beperkingen de maag- en darmklachten van appellante als gevolg van het dumpingsyndroom zijn onderschat. Mede op basis van de ingezonden informatie hebben de verzekeringsartsen een volledig beeld gevormd van de medische situatie van appellante en haar belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in de FML. De verzekeringsartsen hebben overtuigend gemotiveerd dat er geen grond is voor het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6386 ZW

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

24 augustus 2017, 17/295 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Krauth en [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. Ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als doktersassistente. Op 15 juli 2015 heeft zij zich ziek gemeld met maagklachten en vermoeidheidsklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een zogenoemde eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 27 mei 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 mei 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 76,37% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van
6 juli 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 14 augustus 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 2 december 2016 een aanvullende beperking opgenomen voor werken in de avond. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee functies laten vervallen en vervangen door twee reservefuncties. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 28,13%. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante bij beslissing op bezwaar van 13 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek verricht en zijn de medische rapporten op inzichtelijke wijze gemotiveerd. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv aan de hand van de onderzoeksbevindingen en de gegevens van de behandelend sector afdoende heeft toegelicht waarom appellante op de datum in geding niet méér beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Hierbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van een peptische stenose, een hernia diafragmatica en een vitamine B12-deficiëntie waarvoor suppletie. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat de verzekeringsarts beperkingen heeft vastgesteld voor de aspecifieke component van de klachten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft gemotiveerd waarom de in bezwaar aan het licht gekomen medische feiten, waaronder de diagnose dumpingsyndroom, niet tot het aannemen van meer beperkingen leidt. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd waarom de in beroep overgelegde medische gegevens geen aanleiding geven voor aanvullende beperkingen. Omdat de rechtbank niet heeft getwijfeld aan het medisch standpunt van het Uwv, heeft de rechtbank het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige afgewezen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend zijn voor appellante. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 14 augustus 2016 beëindigd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten als gevolg van het dumpingsyndroom, haar vermoeidheidsklachten en het gebruik van paracetamol/codeïne 500/20 mg. Appellante heeft aanleiding gezien een deskundige in te schakelen en heeft diverse rapporten ingediend van een arts, verbonden aan een instituut dat medische expertises verricht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Als aanvulling op het dossier heeft het Uwv stukken van de behandelaars van appellante en diverse medische rapporten van het Uwv ingebracht. Ook heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd waarin wordt gereageerd op de door appellante overgelegde medische rapporten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en een anamnese afgenomen waarbij hij appellante heeft bevraagd over haar klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts heroverwogen. Hiertoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de hoorzitting bijgewoond en informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen op basis van hun eigen bevindingen en de beschikbare medische informatie geen juist en volledig beeld hebben kunnen vormen van de medische situatie van appellante op de datum in geding. De verzekeringsartsen hebben op inzichtelijke wijze toegelicht hoe zij tot hun standpunt zijn gekomen.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Hiertoe wordt overwogen dat de diagnose dumpingsyndroom tijdens de bezwaarprocedure bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was en kenbaar is betrokken bij de beoordeling van de medische belastbaarheid van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in deze diagnose terecht geen aanleiding gezien voor aanvullende beperkingen nu bij de beoordeling door de verzekeringsarts reeds rekening is gehouden met het bestaande klachtenbeeld. De verzekeringsarts heeft in verband met de maag- en darmklachten van appellante beperkingen aangenomen voor zwaardere fysieke belasting met drukverhogende momenten en werken in een voorovergebogen houding. Uit de beschikbare medische gegevens is niet gebleken dat met deze beperkingen de maag- en darmklachten van appellante als gevolg van het dumpingsyndroom zijn onderschat.

4.4.

Appellante wordt niet gevolgd in haar beroepsgrond dat het Uwv onvoldoende waarde heeft toegekend aan het gebruik van het middel paracetamol/codeïne. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de brief van de arts MDLZ en de brief van de chirurg, waarin wordt gesproken over pijnstilling in de vorm paracetamol/codeïne in een dosering van 500/10 mg respectievelijk 500/20 mg, bij de medische beoordeling betrokken. Mede op basis van deze informatie hebben de verzekeringsartsen een volledig beeld gevormd van de medische situatie van appellante en haar belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in de FML.

4.5.

De verzekeringsartsen hebben overtuigend gemotiveerd dat er geen grond is voor het aannemen van een urenbeperking. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt dat zij bekend zijn met de vermoeidheidsklachten van appellante en hiermee rekening hebben gehouden door appellante beperkt te achten voor zwaardere fysieke belasting en voor werken in de avond en in de nacht. De verzekeringsartsen hebben op inzichtelijke wijze toegelicht dat de vermoeidheidsklachten niet geheel aan de ernst van de aandoening van appellante kunnen worden gerelateerd, waardoor zij voor een urenbeperking terecht geen aanleiding hebben gezien.

4.6.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.S. Barthel