Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
19/1463 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overwegingen van de rechtbank over de medische beoordeling worden onderschreven. Uit de inzichtelijke en toereikend gemotiveerde rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat met alle medisch te objectiveren klachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat haar rechterhandklachten zijn onderschat. Het standpunt van appellante dat haar psychische klachten zijn onderschat, wordt evenmin gevolgd. Het medisch onderzoek in deze zaak heeft ruim na 2014 plaatsgevonden. Alle op dat moment aanwezige psychische klachten zijn bij dat onderzoek meegenomen. Het verzoek van appellante ter zitting om een psychiater om advies te vragen, wordt afgewezen. De overwegingen van de rechtbank over de arbeidskundige beoordeling worden ook onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1463 WIA

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 februari 2019, 18/1736 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam A] hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door [A]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster voor 36 uur per week. Zij is in 2009 uitgevallen met rug-, hoofdpijn- en handklachten en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 25 maart 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%. Per 25 februari 2013 is de uitkering gewijzigd naar een WGA‑loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Appellante heeft op 26 februari 2017 verzocht om een herbeoordeling wegens toegenomen rechterhandklachten en psychische klachten en gesteld dat zij in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering. In het kader van die melding heeft appellante op 19 april 2017 het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar haar wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 juni 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van drie functies met de hoogste lonen een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 21,36%.

1.3.

Bij besluit van 20 juli 2017 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat met ingang van 21 september 2017 de WIA-uitkering wordt beëindigd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 18 juli 2017 minder dan 35% bedraagt. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 6 maart 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 3 april 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de informatie van de behandelende sector, te weten de neuroloog, de orthopedisch chirurg, de GZ-psycholoog en de huisarts, geen aanleiding gevonden om de FML te herzien. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na heroverweging vastgesteld dat er onvoldoende geschikte functies resteren en heeft in twee nieuwe SBC-codes andere passende functies bijgeduid en binnen een bestaande SBC-code een nieuwe functie bijgeduid. Op basis van de functies productiemedewerker industrie (samenstellen) (SBC-code 111180), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) met de hoogste lonen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onveranderd een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% berekend, namelijk 25,34%.

2.1.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In beroep heeft het Uwv op 21 januari 2019 een gewijzigd besluit genomen. In dit besluit heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2018 alsnog gegrond verklaard, omdat in verband met het bijduiden van de functies een uitlooptermijn van twee maanden en een dag niet in acht was genomen. Het Uwv heeft de WIA-uitkering beëindigd op 6 juni 2018.

2.1.2

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard met bepalingen over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling of motivering daarvan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en voldoende gemotiveerd rekening heeft gehouden met de klachten van appellante. Hij heeft het dossier bestudeerd en de in bezwaar ontvangen medische informatie betrokken bij zijn beoordeling. Gelet op de informatie van de neuroloog en orthopedische chirurgen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de stoornissen aan de knie, enkel en schouder niet kunnen objectiveren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het huisartsenjournaal geen informatie teruggevonden over de handklachten. In de FML zijn forse beperkingen aangenomen voor zware fysieke activiteiten en daarom heeft de verzekeringsarts geen medische redenen gezien om meer beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uit de aanwezige informatie niet kunnen afleiden dat er sprake is van ernstige psychopathologie omdat er geen behandeling is en deze informatie uit 2010 stamt. Er zijn beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren, maar er zijn geen aanknopingspunten om meer of zwaardere beperkingen aan te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat appellante haar beroep niet met nieuwe medische informatie heeft onderbouwd, zodat zij geen twijfel heeft over de voor appellante aangenomen beperkingen. Voor de klachten die appellante eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze niet zijn onderbouwd en deze ook al niet bestonden op de datum in geding. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden om een deskundige te benoemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellante zoals verwoord in de FML van 12 juni 2017.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft haar rechterhandklachten en psychische klachten onderschat. Zij is nog onder behandeling van medisch specialisten en is een behandeling bij

I-Psy gestart. Ter zitting van de Raad heeft appellante verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Appellante is verder van mening dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 6 juni 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35%.

4.2.

De overwegingen van de rechtbank over de medische beoordeling worden onderschreven. Uit de inzichtelijke en toereikend gemotiveerde rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat met alle medisch te objectiveren klachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante. Daarbij is informatie van de behandelende sector en de huisarts meegewogen.

4.2.1.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat haar rechterhandklachten zijn onderschat. De primaire verzekeringsarts heeft bij lichamelijk onderzoek geen passende aandoening gevonden en meegewogen dat appellante minder zware medicatie gebruikt en dat de specialistische behandeling aan de hand is gestopt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens het rapport van 6 maart 2018 de rechterhand van appellante ook onderzocht en in het huisartsenjournaal geen informatie kunnen vinden over deze hand. De verzekeringsarts heeft toegelicht dat de klachten van de hand lang geleden zijn ontstaan en dat het in medische zin niet goed te verklaren is waarom de belastbaarheid zou zijn veranderd, anders dan door inactiviteit. Er bestaat geen aanleiding het oordeel van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.

4.2.2.

Het standpunt van appellante dat haar psychische klachten zijn onderschat, wordt evenmin gevolgd. De psychische klachten zijn door de verzekeringsartsen in hun rapporten onderkend en daarvoor zijn beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren in de FML aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport toegelicht dat de primaire verzekeringsarts bij psychisch onderzoek van appellante een wisselende stemming van somber tot normofoor bij een labiel affect met een alerte indruk heeft vastgesteld, die volgens deze arts zou kunnen passen bij een angststoornis. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen dat geen sprake was van een behandeling en dat de informatie van de GZ-psycholoog van Stichting Centrum ’45 gedateerd is van 2010. Gelet hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen aanleiding gevonden om meer beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid in de FML aan te nemen.

4.2.3.

Ter zitting van de Raad heeft appellante melding gemaakt van recente informatie van een psycholoog en psychotherapeut uit 2020, maar heeft deze medische informatie niet in deze procedure ingebracht. Niet is gebleken dat dat niet mogelijk was. Bovendien heeft appellante niet onderbouwd wat de relevantie is van deze informatie met betrekking tot de datum in geding, te weten 6 juni 2018. Verder heeft de gemachtigde van appellante op de zitting gesteld dat sprake is van een nieuw feit, althans van een feit dat haar niet eerder bekend was. Haar is onlangs bekend geworden dat in mei 2014 een inval van de politie heeft plaatsgevonden in het huis van appellante, waardoor de psychische klachten van appellante zijn verergerd. Deze informatie geeft geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep omtrent de psychische beperkingen van appellante op de datum in geding. Het medisch onderzoek in deze zaak heeft ruim na 2014 plaatsgevonden. Alle op dat moment aanwezige psychische klachten zijn bij dat onderzoek meegenomen. Ook is niet gebleken dat appellante op de datum in geding in behandeling was voor haar psychische klachten.

4.2.4.

Omdat twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige. Het verzoek van appellante ter zitting om een psychiater om advies te vragen, wordt daarom afgewezen.

4.3.

De overwegingen van de rechtbank over de arbeidskundige beoordeling worden ook onderschreven. Het Uwv heeft met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 april 2018 in samenhang met de arbeidskundige toelichtingen bij de signaleringen, voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) M. Graveland