Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
18/2978 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering met ingang van 12 juni 2015. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2978 ZW

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 mei 2018, 17/441 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.M. Gijzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als chauffeur tankwagen (internationaal). Hij heeft zich op 8 december 2014 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant is met ingang van 9 maart 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 17 juni 2015 heeft het Uwv de ZW‑uitkering van appellant per 12 juni 2015 beëindigd omdat appellant per die datum geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Bij brief van 10 juni 2016 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering met ingang van 12 juni 2015. Bij besluit van 16 augustus 2016 is dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Tegen het besluit van 16 augustus 2016 heeft appellant bezwaar gemaakt. Onder verwijzing naar door hem in bezwaar ingebrachte informatie van W.Y.M. Henquet van 10 november 2016 en verslagen van de behandeling door de POH-GGZ in 2016 heeft appellant het standpunt van het Uwv bestreden, dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

1.4.

In overeenstemming met een rapport van 23 december 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 4 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, waarbij het standpunt dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ongewijzigd is gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak kunnen verenigen met het door Uwv in het bestreden besluit ingenomen standpunt en heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de aanvraag betrekking heeft op het terugkomen op het besluit van 17 juni 2015 en het weer toekennen van ziekengeld vanaf 12 juni 2015. Onderzocht moet worden of appellant bij zijn verzoek van 10 juni 2016 in de bezwaarprocedure nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het gestelde in het verzoek om herziening en de in de bezwaarprocedure overgelegde stukken terecht niet als een nieuw feit dan wel een veranderde omstandigheid heeft aangemerkt die aanleiding zou moeten geven om terug te komen op de eerdere beoordeling. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant het gestelde in zijn verzoek van 10 juni 2016 dat hij niet hersteld was en nagenoeg niet functioneerde, tijdig naar voren had kunnen brengen in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 17 juni 2015. Deze omstandigheden zijn niet aan te merken als een nieuw feit. De rechtbank heeft ook overwogen dat het niet adequaat reageren van appellant niet is aan te merken als een nieuwe feit. Verder zijn de door de huisarts overgelegde verslagen en zijn eigen “verslag van een onbegrijpelijk iets” geen nieuwe stukken. Uit de in de bezwaarprocedure overgelegde brief van huisarts Henquet blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden, noch blijkt dat appellant vanaf de datum van hersteld verklaring, 12 juni 2015, zijn huisarts heeft geconsulteerd met fysieke dan wel psychische klachten. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de toekomst heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (onder andere CRvB 24 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1907) geoordeeld dat de medische verklaring van psychiater D. Corstens van 21 april 2017 die appellant in beroep heeft overgelegd, buiten beschouwing moet worden gelaten omdat appellant de verklaring pas in beroep heeft overgelegd.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hem niet tegengeworpen mag worden dat hij de medische verklaring van psychiater D. Corstens van 21 april 2017 niet in bezwaar

heeft overgelegd omdat hij op dat moment niet over de verklaring kon beschikken en dit een uitzondering dient te vormen op door de rechtbank aangehaalde rechtspraak van de Raad, in die zin dat het stuk alsnog in beroep in de beoordeling betrokken dient te worden. Ter zitting van de Raad heeft appellant daaraan toegevoegd dat het hem vooral heeft geraakt dat het Uwv zijn bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2015 niet inhoudelijk heeft behandeld. Het Uwv had rekening moeten houden met de nare omstandigheden waarin appellant zich in die periode bevond.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals appellant ter zitting heeft bevestigd is het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2015 te laat ingediend. Om die reden heeft het Uwv het bezwaar niet inhoudelijk behandeld. Appellant heeft tegen de niet-ontvankelijkverklaring geen rechtsmiddelen aangewend. Het besluit van 17 juni 2015, waarbij het Uwv de ZW‑uitkering van appellant per 12 juni 2015 heeft beëindigd, staat in rechte vast. De aanvraag van appellant strekt er toe dat het Uwv terugkomt van dat besluit. Het Uwv heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.3.

Bij uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van de onder 4.1 genoemde besluiten gewijzigd. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.4.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.5.

Met juistheid heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv, dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken, gevolgd. De door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 december 2016 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat uit verslagen van de huisarts en zijn eigen “verslag van een onbegrijpelijk iets” geen nieuwe gegevens naar voren komen met betrekking tot eerder vastgestelde hersteldverklaring per 12 juni 2015.

4.6.

Uit de uitspraak van de Raad van 2 december 2016 volgt, dat als het bestreden besluit de onder 4.2, 4.3 en 4.4 beschreven toets doorstaat en het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel kan komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gevonden voor dit oordeel.

4.7.

In dit geding is het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit gedaan op een datum waarop het tijdvak waarover ziekengeld kon worden verstrekt als bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de ZW, reeds was verstreken. Een beoordeling over eventuele aanspraken voor de toekomst kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen (uitspraak van de Raad van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4600).

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen grond, zodat het verzoek om veroordeling daartoe dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) C.I. Heijkoop