Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
18/3967 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest en er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. Nu op basis van de FML niet stresserende en parttime functies zijn geselecteerd, valt de belasting in de functies binnen de belastbaarheid van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3967 ZW

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juni 2018, 17/3608 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen op 28 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als medewerker bediening voor 32 uur per week. Op 5 maart 2015 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Haar dienstverband is geëindigd op 31 december 2015. Het Uwv heeft appellante ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Appellante werd, op basis van de beperkingen als vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 februari 2016, niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als medewerker bediening, maar wel tot het vervullen van de functies besteller post/pakketten, schoonmaker gebouwen en huishoudelijk hulp. Berekend is dat appellante meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat ze ziek werk. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 14 maart 2016 de ZW-uitkering van appellante per 15 april 2016 beëindigd.

1.3.

Appellante heeft zich op 20 juni 2016 opnieuw ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellante heeft op 11 januari 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft haar per die datum geschikt geacht voor tenminste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, bijvoorbeeld (de als reserve gehanteerde) functie van medewerker kleding en textielreiniging. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 11 januari 2017 de ZW-uitkering van appellante per die datum beëindigd. Het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 1 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 maart 2017 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en de uitkomst ervan juist geacht. Het door appellante in beroep ingenomen standpunt dat het Uwv ten onrechte de waarschuwing van de behandelend psychiater voor suïcidale tendensen bij door appellante ervaren druk in de wind heeft geslagen, heeft voor de rechtbank niet geleid tot een ander oordeel. Hierbij is verwezen naar de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 februari 2018, die hebben geleid tot de conclusie dat er geen aanleiding bestond de aangenomen belastbaarheid van appellante te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is voorts gevolgd in de overweging dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante, omdat deze niet stresserend zijn van aard, geen beroep doen op sociale vaardigheden, geen flexibiliteit vragen en rekening houden met de beperkingen ten aanzien van het handelingstempo en de prikkelgevoeligheid en het functies betreffen voor slechts 20 uur per week en niet in de nacht. De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende is gemotiveerd dat het door appellante aangevoerde geen aanleiding geeft om te oordelen dat sprake is van ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat haar psychische beperkingen zijn onderschat. Er is niet enkel sprake van depressieve klachten, maar van een ernstigere depressieve stoornis. Appellante verwijst hierbij naar de brief van de behandelend psychiater van 18 april 2017, waaruit blijkt dat de psychische klachten toenemen naarmate zij onder druk komt te staan. Arbeid verrichten is daardoor niet mogelijk. Appellante heeft haar verzoek om inschakeling van een psychiater als deskundige gehandhaafd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij

bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven.

4.3.1.

De door appellante genoemde informatie van de behandelend psychiater van 18 april 2017 leidt niet tot een ander oordeel. In deze brief is opgenomen dat appellante “bij oplopende emoties en wanhoop suïcidale gedachten kan krijgen. Ook een oplopende druk rondom werkhervatting kan bij haar leiden tot suïcidale gedachten, wat duidelijk werd toen zij vernam dat zij geen recht meer zou hebben op een ZW-uitkering”. Dit leidt niet tot de conclusie dat de FML, die is opgesteld in het kader van de EZWb en ten grondslag ligt aan de onderhavige beoordeling, onvoldoende tegemoetkomt aan de beperkingen van appellante. De FML omvat beperkingen die voorkomen dat appellante te maken krijgt met oplopende druk of emoties. Appellante is bijvoorbeeld aangewezen op een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en zonder hoog handelingstempo. Voorts zijn er beperkingen aangenomen op omgaan met conflicten en op samenwerken, niet in een omgeving met overwegend mannen, met weinig of geen rechtstreeks klantcontact en zonder leidinggevende aspecten, in een prikkelarme omgeving. Appellante is daarnaast in staat geacht maximaal 4 uur per dag, 20 uur per week te werken. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de beperkingen die kunnen worden afgeleid uit de informatie van de behandelend psychiater. Gelet hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van
28 maart 2017 terecht geconcludeerd dat de informatie van de psychiater geen aanleiding geeft tot aanvulling van de reeds vastgestelde beperkingen.

4.3.2.

De gronden van het hoger beroep kunnen niet leiden tot de conclusie dat appellante na de EZWb en per 11 januari 2017 ernstiger beperkt is dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

4.3.3.

Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, bestaat er geen aanleiding een deskundige in te schakelen.

4.4.

Nu op basis van de FML niet stresserende en parttime functies zijn geselecteerd, valt de belasting in de functies binnen de belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat zij onverminderd in staat kan worden geacht tenminste één van deze functies te verrichten, bijvoorbeeld de functie van medewerker kleding en textielreiniging.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen.