Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
30-01-2020
Zaaknummer
17/3559 WIA-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte loonsanctie opgelegd. Verzoek om vergoeding schade. Voor de berekening van de op het Uwv te verhalen schade gedurende het derde ziektejaar wordt ervan uitgegaan dat voor verzoekster de verplichting bestond om 70% van het loon door te betalen. De schade die aan het Uwv moet worden toegerekend bedraagt € 27.735,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2020-0011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3559 WIA-S

Datum uitspraak: 29 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[naam stichting] te [vestigingsplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2017, 16/2424, in het geding tussen verzoekster en het Uwv.

De Raad heeft op 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2646, uitspraak gedaan in dit hoger beroep. Daarbij is bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om vergoeding van schade.

Partijen hebben over en weer hun standpunten uiteengezet.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van 22 augustus 2018.

1.2.

Bij die uitspraak heeft de Raad onder meer de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het beslissing op bezwaar van het Uwv van 14 maart 2016 vernietigd en het besluit van het Uwv van 17 december 2015 herroepen. De Raad heeft daartoe overwogen dat de door het Uwv aan verzoekster opgelegde loonsanctie niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering.

2. Verzoekster heeft gesteld dat zij schade heeft geleden tot een door haar berekend bedrag van € 37.935,23. Er heeft een schriftelijke uitwisseling van standpunten tussen partijen plaatsgevonden die ertoe heeft geleid dat het geschil is beperkt tot de vraag of de schade van verzoekster aan loonkosten moet worden gesteld op € 37.935,23, zijnde 100% van het door haar aan haar werkneemster in het zogenoemde derde ziektejaar betaalde bedrag of, zoals door verzoekster nader is berekend, op € 27.735,33, zijnde 70% daarvan. In dit laatste bedrag kan het Uwv zich volgens de brief van 9 juli 2019 vinden.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

3.2.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446).

3.3.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een overheidslichaam dat een besluit neemt dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, een onrechtmatige daad begaat jegens degene die door dat besluit wordt getroffen. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9369, BE9370 en BE9388). In deze zaak is niet in geschil dat het Uwv aansprakelijk is voor de schade die verzoekster als werkgeefster als gevolg van het – naar nu vaststaat: onrechtmatige – besluit van 17 december 2015 heeft geleden omdat zij op grond van dat besluit gedurende de periode van de loonsanctie, onder instandhouding van de arbeidsovereenkomst met werkneemster, haar betalingsverplichtingen jegens haar heeft moeten voortzetten.

3.4.

De wettelijke regeling van de loonsanctie in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en het BW verplicht de werkgever bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst het naar tijdruimte vastgestelde loon, zoals bepaald in artikel 7:629, eerste lid, van het BW, voort te zetten. De instandhouding van de door de werkgever en de werknemer gesloten overeenkomst brengt mee dat er een rechtstreeks verband is met de opgelegde loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van die overeenkomst gedurende het derde ziektejaar verplicht was. Het gaat daarbij om betalingen die voortvloeien uit afspraken die de werkgever en de werknemer hebben gemaakt over de verplichtingen en inspanningen van de werkgever die zullen gelden in het derde ziektejaar en die voldoende concreet zijn en door de werknemer zijn af te dwingen. Voor zover de werkgever in het derde ziektejaar betalingen heeft verricht waartoe hij niet op grond van een individuele arbeidsovereenkomst, een toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of een andere geldende arbeidsvoorwaardenregeling gehouden was of die niet rechtstreeks voortvloeien uit zijn re-integratieverplichtingen kan in het geval van een ten onrechte opgelegde loonsanctie niet worden gezegd dat wat betaald is een op het Uwv te verhalen schadepost is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236).

3.5.

Artikel 7:629, eerste lid, van het BW luidt:

Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in

artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.

3.6.

Verzoekster heeft erop gewezen dat werkneemster arbeidsongeschikt is geraakt als gevolg van een bedrijfsongeval. Verzoekster heeft zich moreel verplicht gevoeld om in het tweede ziektejaar 100% door te betalen. Het standpunt van verzoekster komt erop neer dat zij, gelet op artikel 11.4, tiende lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Gehandicaptenzorg 2016 (CAO), daarom ook in het derde ziektejaar gehouden was om meer dan 70% van het loon aan werkneemster te betalen.

3.7.

Het Uwv heeft erop gewezen dat in de CAO geen bepaling is gewijd aan de loondoorbetaling in een derde ziektejaar. Het artikellid waar verzoekster naar verwijst ziet op het tweede ziektejaar. Onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Raad van

9 december 2015 speelt het beginsel van goed werkgeverschap bij de schadevaststelling geen rol.

3.8.

Artikel 11.4, eerste lid, van de CAO luidt:

“De werknemer die wegens ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap en bevalling als bedoeld in artikel 7:629 BW, verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, heeft:

a. gedurende een tijdvak van 52 weken aanspraak op doorbetaling van 100% van het naar tijdruimte vastgestelde brutoloon door de werkgever;

b. gedurende daaropvolgende 52 weken aanspraak op doorbetaling van 70% van het naar tijdruimte vastgestelde brutoloon door de werkgever.”

Artikel 11.4, negende lid, van de CAO luidt:

“ Indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de werkgever aansprakelijk is zoals bedoeld in artikel 7:658 , tweede lid, van het BW (bijgevoegd), dan wordt tijdens arbeidsongeschiktheid gedurende 104 weken 100% loon doorbetaald.”

Artikel 11, tiende lid, van de CAO luidt:

“De werkgever kan in individuele situaties, indien daarvoor naar zijn oordeel goede gronden aanwezig zijn, besluiten in het tweede ziekte jaar meer dan 70% van het loon te betalen.”

3.9.

Wat betreft de verwijzing van verzoekster naar de voor haar geldende CAO wordt vastgesteld dat die CAO geen bepalingen bevat op grond waarvan gedurende het derde ziektejaar voor verzoekster de verplichting bestond om 100% van het laatstverdiende loon te betalen. Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat bepalingen met betrekking tot het tweede ziektejaar verplichtingen impliceren voor het derde ziektejaar. Van betalingen die voortvloeien uit afspraken die verzoekster en haar werkneemster hebben gemaakt over de verplichtingen en inspanningen van de verzoekster die zullen gelden in het derde ziektejaar en die voldoende concreet zijn en door de werkneemster zijn af te dwingen, is blijkens de gedingstukken geen sprake.

3.10.

Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het betalen aan werkneemster van 100% van het loon in het tweede ziektejaar een verplichting was die voortvloeide uit artikel 11.4, negende lid, van de CAO. Het standpunt van verzoekster dat zij op grond van goed werkgeverschap gehouden was om in het verlengde van de betaling in het tweede ziektejaar ook in het derde ziektejaar 100% van het laatstverdiende loon te betalen, kan niet worden gevolgd. In dit verband wordt wederom verwezen naar wat de Raad eerder heeft geoordeeld in zijn voornoemde uitspraak van 9 december 2015. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat in dit geval de gevoelde morele verplichting van verzoekster tot betaling van 100% van het loon in het tweede ziektejaar zou hebben geleid tot een door werkneemster af te dwingen verplichting van verzoekster om die loondoorbetaling na afloop van het tweede ziektejaar voort te zetten. Verzoekster heeft niet onderbouwd dat die gehoudenheid zou voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst of anderszins uit de toen nog bestaande arbeidsrelatie.

4. Uit wat in 3.1 tot en met 3.10 is overwogen volgt dat voor de berekening van de op het Uwv te verhalen schade gedurende het derde ziektejaar ervan wordt uitgegaan dat voor verzoekster de verplichting bestond om 70% van het loon door te betalen. Partijen zijn het erover eens dat wanneer wordt geoordeeld dat verzoekster bij haar schadeberekening ten onrechte is uitgegaan van een verplichting om 100% van het loon door te betalen in het derde ziektejaar, de schade die wel aan het Uwv moet worden toegerekend € 27.735,33 bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2016. Het Uwv heeft de verschuldigdheid van de wettelijke rente over dit bedrag immers niet betwist.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure. De kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan verzoekster van de schade tot een bedrag van € 27.735,33 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2016;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2020.

(getekend) M. Greebe

(getekend) E. Diele