Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
18/4283 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenbehandelingstelling aanvraag. Toekenning bijstand met toepassing van kostendelersnorm maar weigering met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4283 PW, 18/4284 PW, 18/4285 PW

Datum uitspraak: 11 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juli 2018, 17/1556, 17/1560, 17/1561 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont op het uitkeringsadres in bij X. Daartoe hebben appellant en X op 1 november 2015 een overeenkomst getekend, waarin staat vermeld dat appellant per 1 december 2015 inwoont bij X. De bijdrage van appellant aan huurkosten bedraagt € 385,- en de bijdrage van appellant voor gas/water/licht bedraagt € 125,-. Verder staat vermeld op welke rekening appellant deze bedragen moet overmaken voor elke eerste van de maand. Appellant dreef tot 1 september 2016 de eenmanszaak “[naam zaak]”.

1.2.

Appellant heeft zich op 30 augustus 2016 bij het college gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). In het kader van de aanvraag heeft een medewerker van het Cluster Sociale Zaken van de gemeente Sittard-Geleen (medewerker) appellant bij brief van 2 september 2016 verzocht onder meer afschriften van alle betaal-, spaar- en creditcardrekening(en) in te leveren. Daarbij is vermeld dat het begin- en eindsaldo duidelijk zichtbaar dient te zijn. Appellant heeft deze gegevens niet ingeleverd.

1.3.

Bij brief van 16 september 2016 heeft de medewerker appellant (opnieuw) verzocht de bij de brief gevoegde aanvraagformulieren, ingevuld en ondertekend, met onder meer de in 1.2 genoemde afschriften, toe te zenden of in te leveren.

1.4.

Appellant heeft op 26 september 2016 een aanvraag om bijstand (aanvraag 1) ingediend. Hij heeft hierbij onder meer een transactieoverzicht van zijn ING-bankrekening, eindigend op -620, over de periode van 6 mei 2016 tot en met 21 september 2016 gevoegd.

1.5.

Bij brief van 27 september 2016 heeft het college aan appellant – voor zover hier van belang – het volgende meegedeeld. De ingeleverde prints van de ING-bankrekening zijn geen kopie bankafschriften waar om was gevraagd en de aanvraag kan pas verder worden behandeld als appellant de gevraagde kopie bankafschriften heeft ingeleverd. Als appellant de bankafschriften niet op 10 oktober 2016 heeft ingeleverd zal het college stoppen met de behandeling van de aanvraag.

1.6.

Bij besluit van 11 oktober 2016 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college aanvraag 1 met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant de in de brief van 27 september 2016 gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd.

1.7.

Appellant heeft zich op 14 oktober 2016 opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand. Op 27 oktober 2016 heeft appellant een aanvraag om bijstand met als gewenste ingangsdatum 1 september 2016 (aanvraag 2) ingediend.

1.8.

Bij besluit van 9 november 2016 (besluit 2) heeft het college aanvraag 2 afgewezen.

1.9.

Appellant heeft zich op 10 november 2016 opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand. Op 18 november 2016 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 september 2016 (aanvraag 3).

1.10.

Bij besluit van 10 januari 2017 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2017 (bestreden besluit 3), heeft het college appellant vanaf 10 november 2016 bijstand op grond van de PW toegekend naar de norm voor een alleenstaande met toepassing van de kostendelersnorm, uitgaande van een kostendelende medebewoner. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellant op het uitkeringsadres niet op basis van een commerciële huurrelatie woonachtig is. Het college heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om appellant bijstand te verlenen met terugwerkende kracht tot 1 september 2016.

1.11.

Bij besluit van eveneens 1 mei 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 2 gegrond verklaard, besluit 2 herroepen en appellant bijstand toegekend over de periode vanaf 14 oktober 2016 tot en met 9 november 2016 naar de norm voor een alleenstaande op grond van de PW met toepassing van de kostendelersnorm, uitgaande van een kostendelende medebewoner. Het college heeft zich ook hier op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om appellant bijstand te verlenen met terugwerkende kracht tot 1 september 2016.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Buitenbehandelingstelling

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat de door het college gevraagde bankgegevens van belang zijn voor de beoordeling van aanvraag 1 en dat appellant die gegevens niet binnen de geboden hersteltermijn heeft overgelegd.

4.3.

Wat appellant heeft aangevoerd komt er in essentie op neer dat het overgelegde transactieoverzicht toereikend was om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Daartoe behoren volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3471) alle afschriften van de betaal- en spaarrekeningen van appellant. Voor de beoordeling van de financiële situatie van appellant moet het college kunnen nagaan of het transactieoverzicht opvolgend en compleet is. Dit is zonder de overlegging van de gevraagde bankafschriften niet mogelijk, alleen al omdat een beginsaldo ontbreekt. Bovendien is niet controleerbaar of alle transacties in het transactieoverzicht zijn opgenomen.

4.5.

De beroepsgrond dat het college appellant op kantoor had moeten uitnodigen om daar een uitdraai van de gevraagde bankafschriften te maken slaagt ook niet. Uit artikel 53a, eerste lid, van de PW, volgt dat het college bepaalt op welke wijze de verstrekking van de gevraagde gegevens plaatsvindt. Het ligt vervolgens op de weg van appellant om – indien nodig ‒ tijdig uitstel te vragen dan wel hulp te vragen. Daarbij komt dat appellant in de brieven van 2 en 16 september 2016 ook is gewezen op de mogelijkheid om hulp te vragen en is beschreven hoe hij dat kan doen. Appellant heeft niet kenbaar gemaakt dat hij niet tijdig de beschikking over de gevraagde bankgegevens kon krijgen.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, bevoegd was aanvraag 1 buiten behandeling te laten. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Ingangsdatum

4.7.

In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690).

4.8.

Uit 4.7 volgt dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, de rechtbank de beoordeling of in dit geval met terugwerkende kracht bijstand moet worden verleend terecht heeft beperkt tot de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen.

4.9.

Appellant heeft verder aangevoerd dat er in zijn geval bijzondere omstandigheden zijn om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Hij heeft hiertoe verwezen naar wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Die omstandigheden houden in dat hij zich zo snel mogelijk na de buitenbehandelingstelling van aanvraag 1 heeft gemeld, dat sprake was van een heftige situatie, waaronder burn‑outklachten en een overlijden in zijn directe nabijheid, dat hij ernstig wordt benadeeld en dat de gevolgen voor hem disproportioneel zijn.

4.10.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft de door appellant aangevoerde omstandigheden terecht niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand aan appellant met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant heeft met de verwijzing naar burn-outklachten en een overlijden in zijn directe nabijheid niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was zich eerder dan 14 oktober 2016 te melden om bijstand aan te vragen dan wel een gegronde reden voor de latere melding had.

Kostendelersnorm

4.11.

Appellant heeft als enige beroepsgrond tegen toepassing van de kostendelersnorm aangevoerd dat tussen hem en de verhuurder een zakelijke relatie bestond, waarbij sprake was van een commerciële huurprijs. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.11.1.

De kostendelersnorm is, voor zover hier van belang, neergelegd in de artikelen 22a, eerste lid, en artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. Volgens artikel 22a, eerste lid, van de PW, is, indien de belanghebbende van 21 jaar of ouder een of meer kostendelende medebewoners heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende: ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal kostendelende medebewoners plus de belanghebbende en zijn echtgenoot van 21 jaar of ouder, indien hij gehuwd is, en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid. In artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW, is het volgende bepaald:
“In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet: (…)
b. op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft”.

4.11.2.

De door appellant overgelegde overeenkomst ziet op inwoning van appellant bij X en de betaling door appellant van een bijdrage daarvoor, zonder dat duidelijk is wat tegenover die bijdrage staat. Uit de overeenkomst blijkt niet welk deel van de woning appellant in gebruik heeft en van welke voorzieningen hij gebruik kan maken. Alleen al om die reden kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een commerciële huurprijs. Het college heeft daarom terecht de kostendelersnorm op de bijstand van appellant toegepast.

4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.11.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente bestaat daarom geen grond, zodat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van S. Azaouagh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2020.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S. Azaouagh