Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
19/4652 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank en de daarbij gebezigde overwegingen worden geheel onderschreven. In onder meer de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1225, (zie www.rechtspraak.nl) heeft de Raad overwogen dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen Nederlanders die na invoering van de AOW in 1957 een periode in Suriname hebben gewoond en andere Nederlanders. In het geval van appellante waarin de aanvangsleeftijd van de verzekering ligt na de invoering van de AOW in 1957, is de nationaliteit niet van belang voor de vraag of iemand verzekerd is. Evenmin heeft de onafhankelijkheid van Suriname verandering gebracht in de verzekeringsrechtelijke positie van appellante. Na 10 juli 1971 is appellante verzekerd geacht als ingezetene van Nederland. De onafhankelijkheid van Suriname heeft geen gevolgen gehad voor de verzekerde jaren die zij voor 1975 heeft opgebouwd en ook niet voor de jaren daarna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4652 AOW

Datum uitspraak: 21 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2019, 19/4081 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020. Appellante is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, heeft de Nederlandse nationaliteit, en is [in] 1953 in Suriname geboren. Zij is op 10 juli 1971 vanuit Suriname naar Nederland verhuisd. Met ingang van 24 juni 2019 heeft zij recht op een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Bij besluit van 28 maart 2019 heeft de Svb aan appellante een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend waarop een korting is toegepast van 4%. Hierbij is rekening gehouden met, afgerond, twee jaar waarin appellante geen ouderdomspensioen op grond van de AOW heeft opgebouwd, omdat zij in de periode van 24 juni 1969 (de aanvangsleeftijd) tot en met 10 juli 1971 niet in Nederland woonde en niet verzekerd was voor de AOW.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 maart 2019 is bij beslissing op bezwaar van 18 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar onder meer rechtspraak van de Raad, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de inmiddels nagenoeg bestendige rechtspraak inzake dit onderwerp, geen recht doet aan het gegeven dat zij altijd de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en als gevolg van geboorte buiten het Rijk in Europa anders behandeld wordt dan binnen het Rijk in Europa geboren Nederlanders. Dit als uitvloeisel van de op 25 november 1975 uitgeroepen onafhankelijkheid van Suriname. Zij moet zich voor het misgelopen deel van haar ouderdomspensioen nu wenden tot de Surinaamse republiek, wat door Suriname nimmer gehonoreerd zal worden. Dit is onrechtvaardig omdat er destijds wel premies aan Nederland zijn afgedragen. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij met de stelling dat wel premies zijn afgedragen niet bedoelt dat door haar persoonlijk premies zijn afgedragen – zij was destijds minderjarig en schoolgaand – maar dat er gelden van Suriname naar Nederland zijn gegaan. Nederland was verantwoordelijk voor haar als minderjarige, aldus appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daarbij gebezigde overwegingen worden geheel onderschreven. In onder meer de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1225, (zie www.rechtspraak.nl) heeft de Raad overwogen dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen Nederlanders die na invoering van de AOW in 1957 een periode in Suriname hebben gewoond en andere Nederlanders. Tevens is – onder verwijzing naar parlementaire behandeling van de positie van ingezetenen van Suriname voorafgaand aan de onafhankelijkheid van dit land – overwogen dat de Nederlandse overheid voor de jaren dat personen in Suriname hebben gewoond niet verantwoordelijk is voor het pensioen. De AOW-opbouw van voormalig ingezetenen van Suriname is, nu het wettelijk kader de rechter geen ruimte biedt, ook onder de aandacht van de wetgever gebracht. Tot op heden heeft dat niet tot een voorziening geleid. In 2017 heeft de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een brief van 5 oktober 2017 (kenmerk 2017-0000157748) in reactie op vragen uit de Tweede Kamer geantwoord geen mogelijkheid te zien voor een speciale regeling voor de niet volledige AOW-opbouw van Nederlandse (voormalig) ingezetenen van Surinaamse herkomst. In een brief van 26 juni 2019 (kenmerk 2019-0000082987) heeft de minister van SZW desgevraagd te kennen gegeven geen aanleiding te zien af te wijken van het in de brief van 5 oktober 2017 weergegeven standpunt.

4.2.

Appellante heeft erop gewezen dat zij nooit de Surinaamse nationaliteit heeft gehad en dat de onafhankelijkheid van Suriname niet tot gevolg mag hebben dat haar rechten worden ontnomen. Zij wil dezelfde behandeling als alle andere Nederlanders. Daarnaast was de Nederlandse overheid naar haar mening verantwoordelijk voor haar, zeker omdat zij nog minderjarig was. Met betrekking tot deze gronden wordt als volgt overwogen. In het geval van appellante waarin de aanvangsleeftijd van de verzekering ligt na de invoering van de AOW in 1957, is de nationaliteit niet van belang voor de vraag of iemand verzekerd is. Evenmin heeft de onafhankelijkheid van Suriname verandering gebracht in de verzekeringsrechtelijke positie van appellante. Tot en met 10 juli 1971 was appellante niet verzekerd omdat zij niet woonde in het Europese deel van Nederland. Dit als gevolg van de regeling zoals neergelegd in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederland (Rijkswet van 28 oktober 1954) waarin onder andere buitenlands beleid en defensie tot aangelegenheid van het gehele Koninkrijk zijn verklaard. Volgens artikel 3 tweede lid van het Statuut hadden in overleg andere onderwerpen tot aangelegenheden van het Koninkrijk kunnen worden verklaard. Bij de totstandkoming van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is met instemming van zowel Nederland als Suriname echter besloten de sociale zekerheid niet aan te merken als koninkrijksaangelegenheid. Dit heeft tot gevolg gehad dat Suriname binnen het Koninkrijk verantwoordelijk is geweest voor zijn eigen sociaalzekerheidsstelsel (zie ECLI:NL:CRVB:2016:1225). Na 10 juli 1971 is appellante verzekerd geacht als ingezetene van Nederland. De onafhankelijkheid van Suriname heeft geen gevolgen gehad voor de verzekerde jaren die zij voor 1975 heeft opgebouwd en ook niet voor de jaren daarna.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2020.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) E.M. Welling

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde