Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
19/1452 AKW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De Raad stelt allereerst vast dat beide co-ouders belang hebben bij een beslissing van de Svb op een verzoek van een van de ouders om te worden aangemerkt als ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald. De Svb baseert zijn vaste praktijk op artikel 10 van het Buk. Het Buk is tot stand gekomen op grond van (onder meer) artikel 18 van de AKW. De vaste praktijk van de Svb heeft daarmee – anders dan de Svb veronderstelt – niet het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. In dit geval moet de Raad ook toetsen of de gehanteerde gedragslijn redelijk is en of er een grond is om in het voorliggende geval hiervan af te wijken. Naar het oordeel van de Raad is de genoemde vaste praktijk als invulling van artikel 10 van het Buk niet zonder meer redelijk. Uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en evenmin toereikend is gemotiveerd. De Svb moet nader onderzoeken wat er aan in de weg staat om appellante vanaf het vierde kwartaal van 2017 alsnog voor één of meer van de kinderen aan te merken als co-ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, en om aan het bestreden besluit – als dit besluit wordt gehandhaafd – een nadere belangenafweging en motivering ten grondslag te leggen. Opdracht aan Svb om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, zodat de Raad kan komen tot een finale beslechting van het geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/382
NJB 2020/2101
USZ 2020/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1452 AKW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 februari 2019, 18/1253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[derde-partij] te [woonplaats] (derde-partij)

Datum uitspraak: 21 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de derde-partij heeft mr. S van de Griek, advocaat, schriftelijke uiteenzettingen ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2020. Appellante en de derde-partij zijn verschenen. De Svb heeft via beeldbellen deelgenomen aan het onderzoek ter zitting en zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante en de derde-partij zijn in 2000 met elkaar getrouwd en hebben samen vier kinderen: [kind 1] (geboren [in] 2001), [kind 2] (geboren [in] 2002), [kind 3] (geboren [in] 2003) en [kind 4] (geboren [in] 2006). De derde-partij is in de administratie van de Svb van meet af aan geregistreerd als de aanvrager van de kinderbijslag voor deze vier kinderen. Bij beschikking van 8 juni 2017 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding tussen appellante en de derde-partij uitgesproken. In de daarbij getroffen co‑ouderschapsregeling is niets opgenomen over de verdeling van de kinderbijslag.

1.2.

In de tweede helft van 2017 heeft appellante de Svb verzocht de kinderbijslag voor alle kinderen aan haar uit te betalen en haar aan te merken als co-ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald. In reactie op vragen van de Svb heeft de derde-partij verklaard dat hij niet instemt met inwilliging van dit verzoek.

1.3.

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de Svb beslist dat de kinderbijslag voor de vier kinderen vanaf het vierde kwartaal van 2017 voor de ene helft wordt uitbetaald aan appellante en voor de andere helft aan de derde-partij. Daarnaast heeft de Svb het verzoek van appellante afgewezen om haar aan te merken als co-ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald.

1.4.

Tegen het besluit van 15 maart 2018 heeft appellante bezwaar gemaakt. Deze bezwaren heeft de Svb bij besluit van 11 juni 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in de co-ouderschapsregeling geen bepaling is opgenomen over de verdeling van de kinderbijslag, zodat de kinderbijslag verdeeld moet worden uitbetaald. De rechtbank heeft verwezen naar artikel 18 van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) en artikel 10, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag (Buk). De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de weigering van de Svb om appellante aan te merken als co-ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij kindgebonden budget misloopt doordat de Svb haar verzoek heeft afgewezen. De derde-partij komt volgens appellante door zijn financiële positie niet in aanmerking voor kindgebonden budget, waardoor hij geen belang heeft bij zijn weigering om met haar verzoek in te stemmen.

3.2.

De Svb heeft verklaard dat de Svb wil helpen voorkomen dat alleenstaande ouders na een scheiding kindgebonden budget mislopen. In geval van co-ouderschap beperkt de Svb zich waar mogelijk tot een correcte uitvoering van de AKW zonder daarbij tussen ruziënde ouders in te komen staan. Daarom wordt in de vaste praktijk van de Svb een verzoek om een co‑ouder aan te gaan merken als ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, alleen ingewilligd als beide co-ouders daar schriftelijk mee instemmen. De Svb merkt deze vaste praktijk aan als buitenwettelijk begunstigend beleid.

3.3.

Op de zitting van de Raad heeft de derde-partij te kennen gegeven dat, als appellante voldoet aan door hem gestelde voorwaarden, hij bereid is deels in te stemmen met het verzoek van appellante. Appellante en de derde-partij zijn het echter op de zitting niet eens geworden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 2 van de Wet op het kindgebonden budget (tekst vanaf 1 januari 2015) luidt, voor zover hier van belang:

“1. Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald (…).

6. De ouder die geen partner heeft, heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget van € 3.066,-.

9. Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op een kindgebonden budget.”

4.2.1.

In artikel 18, tweede tot en met zevende lid, van de AKW is de uitbetaling van het recht op kinderbijslag vastgelegd voor situaties waar er meer rechthebbenden zijn. Voor de uitbetaling van dit recht is bijvoorbeeld relevant of een kind tot het huishouden van een verzekerde behoort. Voor co-ouders is voor de betaling van het recht op kinderbijslag sprake van een bijzondere situatie, omdat het kind afwisselend bij de ene of bij de andere ouder is. Voor die situatie is een regeling getroffen in artikel 10 van het Buk (uitbetaling kinderbijslag bij co-ouderschap) dat luidt:

“Indien twee personen die recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking anders is bepaald, het recht van één van deze personen op de kinderbijslag gelijk verdeeld uitbetaald aan beide verzekerden en wordt het recht van de andere persoon niet uitbetaald.”

4.2.2.

In de Nota van toelichting bij het Buk (Stb. 2014, 229) is met betrekking tot artikel 10 van het Buk vermeld:
“In artikel 18, tweede tot en met zevende lid, van de AKW is de uitbetaling van het recht op kinderbijslag in situaties van meer rechthebbenden vastgelegd. Voor de uitbetaling van dit recht is bijvoorbeeld relevant of een kind tot het huishouden van een verzekerde behoort. Voor co-ouders is voor de betaling van het recht op kinderbijslag sprake van een bijzondere situatie omdat het kind afwisselend bij de ene of bij de andere ouder is. In zo’n geval wordt de kinderbijslag gesplitst uitbetaald, tenzij anders overeengekomen is in een overeenkomst of rechterlijke beschikking. Dit wordt ook belangrijk gevonden om geen drempels op te werpen in de uitvoering van de afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij co‑ouders.”

4.3.

De Raad stelt allereerst vast dat beide co-ouders belang hebben bij een beslissing van de Svb op een verzoek van een van de ouders om te worden aangemerkt als ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald. Dit komt doordat ieder van de co-ouders voor een kind slechts aanspraak op kindgebonden budget kan hebben als hij de ouder is wiens recht op kinderbijslag voor dit kind wordt uitbetaald. De ouder die het verzoek indient heeft dus belang bij het besluit, en de andere ouder ook.

4.4.1.

In de vaste praktijk van de Svb wordt een verzoek om een co-ouder aan te (gaan) merken als ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, alleen ingewilligd als beide co-ouders schriftelijk met deze wijziging instemmen. Omdat de derde-partij instemming weigerde heeft de Svb het verzoek van appellante om haar aan te merken als ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, afgewezen.

4.4.2.

De Svb baseert zijn vaste praktijk op artikel 10 van het Buk. Het Buk is tot stand gekomen op grond van (onder meer) artikel 18 van de AKW. De vaste praktijk van de Svb heeft daarmee – anders dan de Svb veronderstelt – niet het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. Er is sprake van een vaste gedragslijn bij de toepassing van artikel 10 van het Buk. Dit heeft gevolgen voor de toetsing door de Raad. Als er sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid mag de Raad alleen toetsen of dit beleid consistent is toegepast en of er geen sprake is van schending van fundamentele rechten. In dit geval moet de Raad ook toetsen of de gehanteerde gedragslijn redelijk is en of er een grond is om in het voorliggende geval hiervan af te wijken.

4.4.3.

Naar het oordeel van de Raad is de onder 4.4.1 genoemde vaste praktijk als invulling van artikel 10 van het Buk niet zonder meer redelijk. Door deze vaste praktijk loopt een co‑ouder in alle gevallen waarin de andere co-ouder niet instemt met een wijziging van de bestaande registratie als aanvrager, het kindgebonden budget mis. Dit terwijl eerstbedoelde co-ouder evengoed recht op kinderbijslag heeft en een aanvraag kan doen om dit recht geldend te maken. Door de praktijk van de Svb kan een extra drempel ontstaan bij de uitvoering van afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij co‑ouderschap. Een doel van artikel 10 van het Buk is dat er geen extra drempels worden opgeworpen (zie 4.2.2). De Raad herinnert bovendien aan de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 oktober 2019 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2019–2020, 26 448, nr. 628), waarbij opnieuw is benadrukt dat moet worden voorkomen dat alleenstaande ouders na een scheiding kindgebonden budget mislopen.

4.4.4.

In dit geval heeft de Svb terecht aan de derde-partij gevraagd of hij met het verzoek van appellante kon instemmen. Toen deze instemming niet kwam, kon de Svb daarmee echter niet volstaan. De Svb had tot een beslissing moeten komen op basis van een evenwichtige en kenbare afweging van de belangen van beide ouders, waarbij de Svb zich ook rekenschap had moeten geven van de belangen van de kinderen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.4 blijkt dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en evenmin toereikend is gemotiveerd. De Svb moet nader onderzoeken wat er aan in de weg staat om appellante vanaf het vierde kwartaal van 2017 alsnog voor één of meer van de kinderen aan te merken als co-ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, en om aan het bestreden besluit – als dit besluit wordt gehandhaafd – een nadere belangenafweging en motivering ten grondslag te leggen.

5. Er is aanleiding om de Svb met toepassing artikel 8:5ld van de Algemene wet

bestuursrecht op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, zodat de Raad kan

komen tot een finale beslechting van het geschil. Dit betekent dat de Svb nog een standpunt moet sturen aan de Raad. De Svb moet daarbij beter uitleggen waarom het verzoek van appelante om haar aan te merken als co-ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, is afgewezen. Het is ook mogelijk dat de Svb alsnog tot de conclusie komt dat het verzoek van appellante zou moeten worden ingewilligd. Als de Svb een standpunt heeft ingenomen mogen appelante en de derde partij reageren. Daarna zal de Raad een beslissing nemen. Op dit moment is dus nog niet duidelijk wie gelijk krijgt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    draagt de Svb op om binnen twee maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en J.C. Boeree als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Spaargaren