Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
19/2857 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is aangewezen als herplaatsingskandidaat zonder plaatsing wegens geen passende functie. Dat appellante gedurende drie jaar de functie van [functie 2] , gewaardeerd in salarisschaal 9, heeft waargenomen, leidt niet tot een ander oordeel. De kennis en ervaring die appellante in deze functie heeft opgedaan ligt immers niet op het terrein van Intelligence en betreft evenmin het operationeel leidinggeven, beide belangrijke kenmerkende aspecten in de door appellante geambieerde functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2857 AW

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 mei 2019, 17/3926 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J.G. Dudink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dudink. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A.M. Bot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was aangesteld in de functie van [functie 1] , salarisschaal 7, bij het districtsinformatieknooppunt [regio] . Vanaf 1 februari 2011 tot en met

1 februari 2014 heeft zij de functie van [functie 2] , salarisschaal 9, waargenomen. Zij ontving hiervoor een waarnemingstoelage.

1.2.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellante besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 3] salarisschaal 7 met ingang van 1 januari 2012. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef de oorspronkelijke functie van appellante vastgesteld op de functie van [functie 3] salarisschaal 7, de LFNP-functie waarnaar appellante met ingang van 1 januari 2012 is overgegaan. Het bezwaar dat appellante tegen dit besluit heeft gemaakt is bij besluit van 1 juni 2016 ongegrond verklaard. Gelet op de uitspraak van de Raad van

29 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:958 staat dit besluit in rechte vast.

1.4.

Een verzoek van appellante om benoemd te worden in de functie van [functie 2] heeft de korpschef bij besluit van 14 januari 2016 afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft de korpschef bij besluit van 1 juni 2016 ongegrond verklaard. Ook dit besluit staat in rechte vast, gelet op de uitspraak van de Raad van 29 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:976.

1.5.

Op 1 december 2015 heeft de korpschef appellante te kennen gegeven voornemens te zijn haar in verband met de personele reorganisatie als functievolger te plaatsen als [functie 3] , gewaardeerd in salarisschaal 7.

1.6.

Naar aanleiding van de bedenkingen van appellante tegen dit voorgenomen besluit heeft de plaatsingsadviescommissie geadviseerd haar op grond van de hardheidsclausule als herplaatsingskandidaat aan te wijzen.

1.7.

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de korpschef appellante met ingang van 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en besloten haar nog niet te herplaatsen, aangezien de plaatsingsadviescommissie geen passende functie voor appellant heeft gevonden.

1.8.

Bij besluit van 24 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van het Hoofdlijnenakkoord en de daaruit voortgekomen uitvoeringsafspraken leidt tot de conclusie dat appellante als functievolger geplaatst kan worden als [functie 3] . Evenmin is in geschil dat plaatsing van appellante in die functie een onbillijke uitkomst zou zijn als bedoeld in artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), omdat appellante al sinds 2008 andere werkzaamheden verricht. Wel in geschil is of appellante aanspraak kan maken op (her)plaatsing in één van de door haar opgegeven voorkeursfuncties. Het geschil tussen partijen spitst zich daarbij toe op de vraag of de door appellante geambieerde functies van [functie 4] passend zijn voor haar dan wel binnen twee jaar passend te maken zijn als bedoeld in artikel 55o, tweede lid, van het Barp. Naar het oordeel van rechtbank heeft de korpschef deugdelijk gemotiveerd dat de door appellante geambieerde functie van [functie 4] geen passende functie voor haar is en evenmin binnen twee jaar passend is te maken. De korpschef heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten appellante per 1 juli 2016 niet te plaatsen in een van de door haar geambieerde functies van [functie 4] . De omstandigheid dat appellante per 2 december 2017 is benoemd in de functie van [functie 5] , met bijbehorende schaal 8, en in die functie naar behoren functioneert, maakt het voorgaande niet anders.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 55o, eerste lid, van het Barp is een passende functie elke functie die voor de krachten en bekwaamheden van de herplaatsingskandidaat is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Een passende functie is mogelijk zowel binnen het bereik van het bevoegd gezag als bij een andere werkgever.

4.1.2.

Ingevolge artikel 55o, tweede lid, van het Barp is tevens een passende functie elke functie waarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag de herplaatsingskandidaat binnen een termijn van twee jaar om-, her- of bijgeschoold kan worden.

4.2.

Het geschil tussen partijen spitst zich ook in hoger beroep toe op de vraag of de door appellante geambieerde functies van [functie 4] passend zijn voor haar dan wel binnen twee jaar passend te maken zijn als bedoeld in artikel 55o, tweede lid, van het Barp.

4.3.

De Raad is, anders dan appellante en met rechtbank, van oordeel dat de korpschef deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door appellante geambieerde functie van [functie 4] , gewaardeerd in salarisschaal 9, geen passende functie voor appellante is en evenmin binnen twee jaar passend is te maken. De Raad kent in dit verband doorslaggevende betekenis toe aan de schriftelijke reactie van [naam ] , Sectorhoofd Dienst Regionale Informatie Organisatie van de eenheid [eenheid] , van 6 april 2017 op de door appellante uitgebrachte voorkeuren. Bersee heeft in deze reactie overtuigend uiteengezet dat de functie [functie 4] voor appellante niet passend is en evenmin binnen twee jaar passend te maken is. Bersee heeft daarbij toegelicht dat de functie van [functie 5] de zwaarste functie binnen het vakgebied Intelligence betreft en daarom vraagt om een diepe inhoudelijke kennis van het intelligence-vak. Zwaarwegend onderdeel van de functie is daarnaast het operationeel leidinggeven. Volgens Bersee voldoet appellante gelet op haar kennis en ervaring niet aan deze vereisten. Zo heeft appellante geen activiteiten op het gebied van Intelligence uitgevoerd en kan het niveau waarop de [functie 4] deze activiteiten moet uitvoeren niet binnen twee jaar worden bereikt. Verder heeft appellante geen ervaring met operationeel leidinggeven, met uitzondering van een proefperiode als deelprojectleider waaruit naar voren kwam dat die rol haar niet paste. Bovendien betreft het een functie in het domein Uitvoering, terwijl appellante werkzaam is in het domein Ondersteuning. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad onvoldoende weerlegging van de verklaring van Bersee.

4.4.

Dat appellante gedurende drie jaar de functie van [functie 2] , gewaardeerd in salarisschaal 9, heeft waargenomen, leidt niet tot een ander oordeel. De kennis en ervaring die appellante in deze functie heeft opgedaan ligt immers niet op het terrein van Intelligence en betreft evenmin het operationeel leidinggeven, beide belangrijke kenmerkende aspecten in de door appellante geambieerde functie.

4.5.

Ten slotte is de Raad niet gebleken is dat aan het bestreden besluit andere dan zakelijke

- met de persoon van appellante samenhangende - motieven ten grondslag hebben gelegen.

4.6.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.R. Daman