Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
19/3858 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2015 bevestigd. Wat verzoekster aan het verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, betreft geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoekster beoogt in feite een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:421) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen. Voor zover sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, wordt het verzoek van de korpschef om verzoekster in die kosten te veroordelen, niet ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3858 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Beslissing op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2803.

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2803.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Verzoekster is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd.

1.2.

Verzoekster was sinds 1991 werkzaam bij de politie. Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de korpschef met toepassing van artikelen 39, eerste lid, en 73, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) verzoekster buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging en haar de toegang tot de gebouwen ontzegd. Bij besluit van 7 april 2014 heeft de korpschef de beoordeling van verzoekster vastgesteld op een onvoldoende. Bij besluit van eveneens 7 april 2014 heeft de korpschef verzoekster met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp met ingang van vier weken na het besluit ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit van 30 september 2014 heeft de korpschef de bezwaren van verzoekster tegen de voornoemde besluiten van 31 januari 2013 en 7 april 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 mei 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:3442) heeft de rechtbank het tegen het besluit van 30 september 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2015 bevestigd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de beoordeling een evenwichtig totaalbeeld geeft van het functioneren van verzoekster, dat de korpschef in redelijkheid verzoekster buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging heeft kunnen verlenen en haar de toegang tot de gebouwen heeft kunnen ontzeggen, dat de conclusie van functieongeschiktheid gerechtvaardigd is en dat de korpschef verzoekster daarom heeft mogen ontslaan. Verder heeft de Raad overwogen dat verzoekster de stelling dat zij vanwege haar afkomst is gediscrimineerd, ook in hoger beroep op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd.

2. Verzoekster heeft in het verzoek om herziening een groot aantal kwesties naar voren gebracht. In de kern komen die erop neer dat de korpschef een oneerlijke proceshouding heeft ingenomen en daardoor heeft belet dat in hoger beroep feiten aan het licht zouden zijn gekomen die tot een voor verzoekster gunstige afloop van het hoger beroep hadden kunnen leiden. Daartoe heeft verzoekster een aantal gevallen genoemd waarin de korpschef onjuiste informatie zou hebben verschaft dan wel anderszins onjuist zou hebben gehandeld en de Raad op het verkeerde been zou hebben gezet. Verder heeft verzoekster haar in de eerdere procedure ingenomen stelling dat zij in haar loopbaan bij de politie vanwege haar ras, afkomst en geslacht is gediscrimineerd, herhaald.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Wat verzoekster aan het verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, betreft geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoekster beoogt in feite een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:421) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies.

3.3.

Uit 3.2 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

3.4.

Voor zover sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, wordt het verzoek van de korpschef om verzoekster in die kosten te veroordelen, niet ingewilligd. Weliswaar verwondert de Raad zich, met de korpschef, over de frequentie waarin verzoekster schriftelijke aanvullingen heeft gepleegd op haar verzoek, maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Ook anderszins bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.R. Daman