Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
18/2517 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering op de grond dat appellant meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant wordt geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2517 ZW

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

29 maart 2018, 17/197 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker. Op 4 november 2013 heeft hij zich ziek gemeld met knieklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2014 de ZW-uitkering van appellant per 4 december 2014 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als tuinbouwmedewerker, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het bezwaar dat appellant tegen dit besluit heeft ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 20 maart 2015 ongegrond verklaard. Het beroep dat appellant tegen deze beslissing op bezwaar heeft ingediend, heeft de rechtbank met de uitspraak van 18 maart 2016 ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 6 oktober 2017 heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Het Uwv heeft appellant per 4 december 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellant heeft zich per 9 maart 2016 opnieuw ziek gemeld met toegenomen knieklachten. In verband hiermee heeft hij op 15 april 2016 en 4 oktober 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 5 oktober 2016 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 4 oktober 2016 de ZW-uitkering van appellant per 5 oktober 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een arts bezwaar en beroep, onder supervisie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 december 2016 ten grondslag. Hierbij is vastgesteld dat appellant geschikt is voor de functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en machinebediende inpak- verpakkingsmachine, die in het kader van de EZWb zijn geselecteerd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts van het Uwv de dossiergegevens heeft bestudeerd, informatie bij de orthopeed heeft ingewonnen en appellant tweemaal heeft gezien op een spreekuur. De arts bezwaar en beroep van het Uwv heeft, onder supervisie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld. Hij heeft de dossiergegevens bestudeerd en appellant gesproken bij een hoorzitting. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek van het Uwv onvoldoende zorgvuldig te beschouwen. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de arts bezwaar en beroep onjuist te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant bij de EZWb al aanzienlijk beperkt is als gevolg van zijn knieklachten en dat de geselecteerde functies voorzien in de mogelijkheid tot het afwisselen van houding. De arts bezwaar en beroep van het Uwv heeft toegelicht waarom hij appellant in staat acht tot het verrichten van de in dat verband geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en machinebediende inpak- verpakkingsmachine. Tevens heeft hij overtuigend onderbouwd dat geen duurbelasting aan de orde is. De conclusies van de artsen van het Uwv zijn voldoende gemotiveerd en deugdelijk onderbouwd. Niet gebleken is dat de artsen van het Uwv onvoldoende op de hoogte waren van de klachten van appellant. De beschikbare informatie van de behandelend sector en het medicijngebruik van appellant zijn betrokken bij het medisch onderzoek. Dat appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning in aanmerking is gebracht voor een vervoersvoorziening en een gehandicaptenkaart heeft gekregen, heeft de rechtbank geen reden gegeven hier anders over te oordelen omdat deze in een ander kader zijn verstrekt. Dit geldt ook voor het advies over de belastbaarheid van appellant, dat in het kader van de Participatiewet door een bedrijfsarts is opgesteld en waaraan bovendien de medische onderbouwing ontbreekt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij lijdt aan chronische knieklachten met een progressief beeld, waardoor hij veel pijn heeft, wat veel energie kost en waardoor hij niet fulltime kan werken. Appellant heeft hierbij verwezen naar de gegevens die hij in bezwaar en beroep heeft ingebracht en gesteld dat voldoende medisch substraat voorligt. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij niet behandeld wordt, geen fysiotherapie heeft en nog te jong is voor een prothese. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. De functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en machinebediende inpak- verpakkingsmachine zijn niet geschikt voor hem omdat hierbij onvoldoende beenruimte aanwezig is. Daarnaast is de functie van productiemedewerker industrie niet geschikt omdat de mogelijkheid tot vertreden niet realistisch is. Appellant heeft tevens verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant

per 5 oktober 2016 geschikt is voor ten minste een van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies en terecht de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de artsen van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.4.

Daaraan wordt toegevoegd dat appellant zijn standpunt, dat hij door zijn knieproblematiek niet in staat is om ten minste een van de geselecteerde functies te verrichten, niet heeft onderbouwd met medische gegevens. Het advies van de bedrijfsarts is daarvoor onvoldoende, reeds omdat het niet ziet op de situatie ten tijde van de datum in geding. Er wordt dus geen aanleiding gezien om de juistheid van het medisch standpunt van het Uwv in twijfel te trekken en er wordt dan ook geen deskundige ingeschakeld. Nu uit de voorhanden zijnde medische gegevens niet blijkt van toegenomen beperkingen ten aanzien van de knieën is er geen aanleiding appellant op dit punt niet langer geschikt te achten voor de bij de eerdere EZWb geschikt bevonden functies. De arts bezwaar en beroep heeft dit in zijn rapport van 5 december 2016 ook overtuigend toegelicht.

5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet op dit oordeel bestaat er geen grond voor een veroordeling tot het vergoeden van schade, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M. Graveland