Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
20/2192 WIA, 20/2193 WIA-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en overigens geen sprake is van een beletsel om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Ter beoordeling staat of het Uwv terecht verzoekers aanvraag om een WIA-uitkering heeft geweigerd, omdat verzoeker op 30 juli 2017 niet verzekerd was voor de Wet WIA. Wat verzoeker in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Hij benadrukt nogmaals dat verzoeker op 30 juli 2017 niet verzekerd was voor de Wet WIA en om die reden niet in aanmerking kan komen voor een WIA-uitkering. Anders dan verzoeker kennelijk meent, kunnen in dat geval zijn persoonlijke en financiële omstandigheden, hoe vervelend die voor verzoeker ook zijn, niet leiden tot toekenning van een WIA-uitkering. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/2192 WIA, 20/2193 WIA-VV

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2020, 19/4158 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van

15 juni 2020

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker heeft op 27 april 2019 bij verweerder een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Als eerste ziektedag heeft verzoeker 30 juli 2017 opgegeven. Bij besluit van 14 juni 2019 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Verzoeker was niet verzekerd, omdat hij op 30 juli 2017 geen dienstverband of een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) had.

1.2.

Verzoeker heeft op 29 juni 2019 bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft verzoeker bij brief van 4 juli 2019 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de gronden van het bezwaar in te dienen. Eveneens op 4 juli 2019 heeft het Uwv verzoeker schriftelijk bericht dat zijn bezwaar compleet was en verzoeker daarnaast het besluit van 4 juli 2019 (bestreden besluit 1) gezonden, waarbij verzoekers bezwaar (kennelijk) ongegrond is verklaard.

1.3.

Bij brief van 13 november 2019 heeft de rechtbank het Uwv gevraagd hoe de brieven van 4 juli 2019 en bestreden besluit 1 zich tot elkaar verhouden. Het Uwv heeft de rechtbank in reactie hierop laten weten dat bestreden besluit 1 is genomen, zonder verzoekers reactie op het eveneens op 4 juli 2019 gestelde vormverzuim (het ontbreken van de bezwaargronden) af te wachten. Dat is volgens het Uwv niet goed gegaan. Hij zal bestreden besluit 1 dan ook hangende het beroep intrekken en verzoeker alsnog in de gelegenheid stellen de gronden van bezwaar in te brengen. Nadat verzoeker die gronden had ingebracht, heeft het Uwv bij besluit van 14 januari 2020 (bestreden besluit 2) het bezwaar van verzoeker wederom ongegrond verklaard. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat hij op 30 juli 2017 wel verzekerd was voor de Wet WIA.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv in beroep bestreden besluit 1 heeft ingetrokken en heeft vervangen door bestreden besluit 2. Omdat bestreden besluit 2 niet tegemoet komt aan het beroep, is het beroep daarom ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede gericht tegen bestreden besluit 2. Niet gebleken is dat verzoeker nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken bestreden besluit 1. Daarom is het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.

Daarnaast heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker op 30 juli 2017 niet verzekerd was op grond van de Wet WIA. Uit een overzicht van de inkomstenverhouding van verzoeker (Suwinet) is gebleken dat verzoeker vanaf 1 september 2013 bijstand heeft ontvangen en dat er – in ieder geval van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2019 – kgeen inkomstenopgave van loon of WW-uitkering is geregistreerd. Nu verzoeker hier geen andersluidende informatie tegenover heeft gesteld, heeft de rechtbank geen reden gezien hieraan te twijfelen. Verzoeker heeft vooral een beroep op zijn persoonlijke en financiële situatie gedaan om hem toch een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen. De wet- en regelgeving met betrekking tot de verzekeringsplicht is evenwel dwingendrechtelijk van aard en heeft geen ruimte geboden om met de door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden rekening te houden.

3.1.

In hoger beroep heeft verzoeker aangevoerd dat hij door een medische fout zijn spraak is kwijtgeraakt. Daardoor heeft verzoeker al twee jaar geen inkomen gehad en heeft hij meer dan € 20.000,- aan schulden opgebouwd, onder meer voor huur, vaste lasten en zorgkosten. Verzoeker heeft tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en overigens geen sprake is van een beletsel om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Ter beoordeling staat of het Uwv terecht verzoekers aanvraag om een WIA-uitkering heeft geweigerd, omdat verzoeker op 30 juli 2017 niet verzekerd was voor de Wet WIA.

4.5.

Wat verzoeker in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Hij benadrukt nogmaals dat verzoeker op 30 juli 2017 niet verzekerd was voor de Wet WIA en om die reden niet in aanmerking kan komen voor een WIA-uitkering. Anders dan verzoeker kennelijk meent, kunnen in dat geval zijn persoonlijke en financiële omstandigheden, hoe vervelend die voor verzoeker ook zijn, niet leiden tot toekenning van een WIA-uitkering.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2020.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) M. Graveland