Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
18/1900 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overwegingen van de rechtbank over de medische beoordeling worden onderschreven. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte geen verdergaande urenbeperking is aangenomen. Uit de inzichtelijke en toereikend gemotiveerde rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat met alle – medisch te objectiveren – klachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante. Het door appellante in hoger beroep ingebrachte rapport van bedrijfsarts Wijers geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Met wat appellante in hoger beroep heeft ingebracht is gelet op het voorgaande geen twijfel gezaaid over de juistheid van de in de FML van 27 januari 2017 aangenomen beperkingen, zodat geen reden wordt gezien om een deskundige te benoemen. Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1900 WIA

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 februari 2018, 17/4052 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. De zitting heeft, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, plaatsgevonden door middel van videobellen. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerkster voor 32 uur per week. Zij heeft na beëindiging van het dienstverband een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 31 maart 2015 heeft zij zich vanuit de WW ziek gemeld met verschillende fysieke en psychische klachten. Appelante is in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet.

1.2.

In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar appellante wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 januari 2017. Daarbij is appellante onder meer aangewezen geacht op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, werk zonder een verhoogd persoonlijk risico en is een urenbeperking vastgesteld van 6 uur per dag en 30 uur per week. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de functies samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130), archiefmedewerker (SBC-code 315132) en voedingsassistent (SBC-code 372051) met de hoogste lonen een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 31,87%. Bij besluit van

9 februari 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 28 maart 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld en ter ondersteuning van haar standpunt informatie van de revalidatiearts van 6 september 2017, de GGZ-praktijkondersteuner van 16 juli 2015, de psycholoog van 5 september 2017 en van de huisarts van 16 augustus 2017 overgelegd. Het Uwv heeft in reactie rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 september 2017, 2 november 2017 en 18 januari 2018 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 september 2017 ingebracht.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het Uwv hun bevindingen en conclusies in hun rapporten voldoende en inzichtelijk hebben gemotiveerd. Appellante heeft in beroep medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat meer of andere beperkingen hadden moeten worden vastgesteld. In de aanvullende rapporten hebben de verzekeringsartsen daarop gereageerd en gemotiveerd uiteengezet dat de klachten van appellante grotendeels niet objectiveerbaar zijn. Niettemin hebben de artsen beperkingen aangenomen op basis van de klachten van appellante. De verzekeringsartsen hebben ook beschreven waar de beperkingen die zien op de wel objectiveerbare klachten van appellante in de FML zijn terug te vinden. Ten aanzien van de urenbeperking zijn de verzekeringsartsen terecht voorbijgegaan aan de enkele verklaring van appellante dat zij minder uren kan werken dan is aangenomen. Omdat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen, heeft zij het verzoek om inschakeling van een onafhankelijk deskundige afgewezen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat zij meer beperkt is dan is aangenomen door de verzekeringsartsen. Ten onrechte zijn geen beperkingen op de items vasthouden van de aandacht en herinneren in de FML aangenomen. Voorts heeft appellante haar standpunt herhaald dat een verdergaande urenbeperking van twaalf uren per week op energetische en preventieve gronden is aangewezen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een expertise van bedrijfsarts J.H. Wijers van 14 februari 2020 overgelegd. Appellante is van mening dat een onafhankelijk deskundige dient te worden ingeschakeld.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat voor een verzekerde na afloop van de wachttijd recht op uitkering als hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat na afloop van de wachttijd een recht op uitkering voor de verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 28 maart 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.1.

De overwegingen van de rechtbank over de medische beoordeling worden onderschreven. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte geen verdergaande urenbeperking is aangenomen. Uit de inzichtelijke en toereikend gemotiveerde rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat met alle – medisch te objectiveren – klachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante. Beide artsen hebben appellante onderzocht en geen aandachts- en concentratiestoornissen of geheugenstoornissen waargenomen.

4.3.2.

Het door appellante in hoger beroep ingebrachte rapport van bedrijfsarts Wijers geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De door hem gestelde depressieve klachten en pijnklachten waren bij de verzekeringsartsen bekend en zijn in de beoordeling meegewogen. Uit de informatie van psycholoog B.M.A.G. van Eeden van 5 september 2017, is niet gebleken van een ernstige psychiatrische stoornis. De psycholoog heeft PTSS-klachten en stemmingsproblematiek gediagnosticeerd. Wijers heeft niet concreet uiteengezet hoe hij tot de door hem gestelde beperkingen op de items vasthouden van de aandacht en herinneren is gekomen, noch wordt in zijn rapport een objectiveerbare oorzaak genoemd voor deze klachten van appellante. In zijn eigen onderzoek heeft Wijers geconstateerd dat het geheugen van appellante niet beperkt is en dat appellante zich goed kon concentreren. In de informatie van de behandelaars van appellante uit 2017, en dus dichter bij de datum in geding, worden deze cognitieve stoornissen evenmin genoemd. Ook ten tijde van de onderzoeken door de verzekeringsartsen was de aandacht van appellante goed te trekken en te behouden zonder evidente geheugenhiaten. Wijers heeft voorts een urenbeperking van 4 uur per dag/20 uur per week noodzakelijk geacht, met in de toelichting ‘kan gemiddeld 12 uur per week werken, met steeds een dag rust na een werkdag’. Ook voor deze substantiële recuperatiebehoefte heeft Wijers in zijn rapport geen medisch objectiveerbare onderbouwing gegeven. In de informatie van de behandelaars van appellante rond de datum in geding zijn de door Wijers gestelde forse beperkingen in de energiehuishouding niet te vinden. De revalidatiearts meldde kort voor de datum in geding op 7 maart 2017 dat appellante een betere balans had tussen activiteit en rust, meer grip had op haar dagelijks leven en minder pieken en dalen had in het functioneren. In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 juni 2017 en van 14 september 2017 is op basis van eigen onderzoek en de informatie van de behandelaars inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd dat de impact van de PTSS en stemmingsklachten op de psychische belastbaarheid voldoende is weergegeven in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML en dat de kwetsbaarheid van appellante voldoende is ondervangen door de aangenomen urenbeperking van 6 uur per week/30 uur per dag.

4.3.3.

Met wat appellante in hoger beroep heeft ingebracht is gelet op het voorgaande geen twijfel gezaaid over de juistheid van de in de FML van 27 januari 2017 aangenomen beperkingen, zodat geen reden wordt gezien om een deskundige te benoemen.

4.4.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet op dit oordeel bestaat geen grond tot veroordeling van schadevergoeding, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) A.L. Abdoellakhan