Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
17/6353 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft dat er op of vanaf 17 januari 2012 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak. De later ontstane artritisklachten, benoemd als artritis psoriatica, komen voort uit een nieuwe ziekteoorzaak volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft geen medische informatie ingediend die aanleiding geeft voor een ander oordeel. Ook ziet de Raad geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen omdat er een duidelijk beeld is van de medische aandoeningen en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Het Uwv is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. In dat geval is een arbeidskundige beoordeling niet vereist. Bij de einde wachttijdbeoordeling heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten aan de vingers, handen en voeten meegewogen bij het vaststellen van beperkingen in de FML en appellante met ingang per 14 januari 2014 geschikt bevonden voor lichte aangepaste werkzaamheden voor 30 uur per week. Het standpunt van appellante dat zij bepaalde gewichten niet kan dragen omdat zij afhankelijk is van een kruk, zij niet in de avonduren en niet langer dan achttien uur per week zou kunnen werken, heeft zij niet met medische stukken onderbouwd. Haar klachtenbeleving komt niet overeen met wat haar behandelaars medisch objectiveren. Zij heeft in beroep en hoger beroep geen medische informatie ingediend die ziet op de datum in geding in 2014 en waaruit blijkt dat de verzekeringsartsen van het Uwv de beperkingen van appellante hebben onderschat. Ook wat betreft de einde wachttijd beoordeling wordt geen aanleiding gezien om een medisch deskundige te benoemen. De medische gegevens uit Duitsland uit 2018 en 2019 hebben in 2019 na een nieuwe wachttijd – in verband met een nieuwe aandoening – tot de vaststelling door een verzekeringsarts van het Uwv geleid dat er geen beschikbare mogelijkheden zijn. Uitgaande van juistheid van de FML, wordt evenals de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde voorbeeldfuncties geschikt zijn voor appellante. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het Uwv met ingang van 14 januari 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 45 tot 55%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6353 WAO

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2017, 17/2041 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Duitsland (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als operatieassistente in het [naam ziekenhuis] . Zij is in 1998 uitgevallen in verband met bekkenklachten. Het Uwv heeft aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is met ingang van 13 oktober 2008 beëindigd omdat appellante arbeidsgeschikt werd geacht. Na een zogenaamde Amberbeoordeling heeft het Uwv met ingang van 20 januari 2010 weer een WAO-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 15 tot 25%. Appellante heeft daarnaast aangepaste werkzaamheden verricht voor 18 uur per week als medewerker kwaliteit operatiekamer. Een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2011 heeft niet geleid tot wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:300.

1.2.

Op 25 februari 2016 heeft appellante het Uwv opnieuw verzocht om een herbeoordeling in verband met een toename van klachten en beperkingen. Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft het Uwv de WAO-uitkering ongewijzigd vastgesteld. Aan dit besluit ligt een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2016, geldig vanaf 17 januari 2012, ten grondslag. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Er is geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 39a van de WAO, maar wel van een toename van arbeidsongeschiktheid (in verband met een nieuwe ziekteoorzaak) na het doorlopen van de wachttijd. Met ingang van 14 januari 2014 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%. Aan dit besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 januari 2017, een FML van 24 januari 2017 (geldig vanaf 14 januari 2014) en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 februari 2017 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat de voorbeeldfuncties besteller post/pakketten en chauffeur groepsvervoer niet geschikt zijn voor appellante. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Het rapport van 24 januari 2017 is zorgvuldig tot stand gekomen en bevat geen tegenstrijdigheden. Alle medische informatie is bij de beoordeling betrokken en appellante heeft, zoals zij ter zitting ook bevestigde, geen nieuwe medische gegevens ingebracht op grond waarvan meer beperkingen vastgesteld hadden moeten worden. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanvullend rapport van 1 juni 2017 opgesteld. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de beperkingen juist zijn vastgesteld in de (gewijzigde) FML van 24 januari 2017. Bij het rapport van 6 juni 2017 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat de opleidingseis HAVO in de voorbeeldfuncties het niveau van appellante niet overstijgt en dat daarnaast geen beperkingen zijn vastgesteld voor persoonlijk functioneren en een korte opleiding (vaak) intern onder werktijd gevolgd kan worden. Wat betreft het argument van appellante dat er voor de functie administratief medewerker afhandelingen, medische registratie, maar één arbeidsplaats is, merkt de rechtbank op dat als deze functie (SBC-code 515080) uiteindelijk zou moeten vervallen, de zogenoemde mediane loonwaarde hetzelfde blijft. Omdat de mate van arbeidsongeschiktheid 45 tot 55% blijft (ook na het vervallen van de overige twee voorbeeldfuncties), heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij met ingang van 17 januari 2012 volledig arbeidsongeschikt is. Haar bekken-, rug- en linkerheupklachten zijn toegenomen op 17 januari 2012. Daarnaast heeft zij als gevolg van de artritis psoriatica gewrichtsklachten aan handen en voeten, waarvan de oorzaak is gerelateerd aan de psoriasis die zij sinds haar jeugd heeft. In de FML zijn veel te weinig beperkingen vastgesteld. Het Uwv had een verdere urenbeperking moeten vaststellen. Zij kon maar drie keer zes uur per week werken ondanks dat zij haar werk zelf kon inrichten en haar werkgever rekening hield met haar klachten. Zij kan niet lang zitten en had een speciale stoel op haar werk zodat zij kon liggen en rusten. Appellante loopt met een kruk en kan daardoor niets tillen of dragen. Ook kan zij niet zelfstandig omhoog komen na het hurken. Appellante heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Door haar beperkingen is zij niet in staat om de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voorbeeldfuncties. Op 27 januari 2020 heeft appellante informatie ingediend van dr. B. Horn, Artzin Für Nervenheilkunde van 7 januari 2019 en een rapport van Psychologin V. Klinkenberg van 8 maart 2018. Door haar werkzaamheden is zij overvraagd en in 2017 volledig is uitgevallen. Zij ontvangt nu een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Tenslotte heeft appellante verzocht om schadevergoeding.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Er is sprake van een duidelijke andere aandoening (artritis psoriatica) dan op basis waarvan de WAO-uitkering is toegekend. Bovendien gaf de psoriasis geen aanleiding voor beperkingen. Dat de FML onjuist zou zijn heeft appellante niet met medische stukken onderbouwd. De door appellante in hoger beroep ingediende medische informatie is van na de datum in geding. Aanvullende op de aangevallen uitspraak heeft het Uwv opgemerkt dat uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat de functie administratief medewerker afhandelingen, medewerker medische registraties, SBC‑code 515080 bestaat uit drie functienummers. Voor de overige (herhaalde) gronden verwijst het Uwv naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juni 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er sprake is van toepassing van de artikelen 37 en 39a van de WAO.

4.1.2.

Artikel 37, eerste lid van de WAO, luidt als volgt:

Ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.

4.1.3.

Artikel 39a, eerste lid van de WAO, luidt als volgt:

Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.2.

In geschil is of er met ingang van 17 januari 2012 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak en het Uwv met ingang van 14 januari 2014, na een wachttijd van 104 weken, de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 45 tot 55%.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft dat er op of vanaf 17 januari 2012 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak. Bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in 1999 en 2009 zijn beperkingen vastgesteld in de FML als gevolg van klachten aan de heupen en de rug, maar geen beperkingen als gevolg van psoriasis of van vinger- of handklachten. Hoewel appellante reeds jarenlang psoriasis‑huiduitslag had, zijn hiervoor geen specifieke beperkingen aanwezig en benoemd. De later ontstane artritisklachten, benoemd als artritis psoriatica, komen voort uit een nieuwe ziekteoorzaak volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft geen medische informatie ingediend die aanleiding geeft voor een ander oordeel. Ook ziet de Raad geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen omdat er een duidelijk beeld is van de medische aandoeningen en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Het Uwv is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. In dat geval is een arbeidskundige beoordeling niet vereist.

4.4.

Bij de einde wachttijdbeoordeling heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten aan de vingers, handen en voeten meegewogen bij het vaststellen van beperkingen in de FML en appellante met ingang per 14 januari 2014 geschikt bevonden voor lichte aangepaste werkzaamheden voor 30 uur per week. Daarbij is ook rekening gehouden met de heup- en rugklachten. Het standpunt van appellante dat zij bepaalde gewichten niet kan dragen omdat zij afhankelijk is van een kruk, zij niet in de avonduren en niet langer dan achttien uur per week zou kunnen werken, heeft zij niet met medische stukken onderbouwd. Haar klachtenbeleving komt niet overeen met wat haar behandelaars medisch objectiveren. Zij heeft in beroep en hoger beroep geen medische informatie ingediend die ziet op de datum in geding in 2014 en waaruit blijkt dat de verzekeringsartsen van het Uwv de beperkingen van appellante hebben onderschat. Ook wat betreft de einde wachttijd beoordeling wordt geen aanleiding gezien om een medisch deskundige te benoemen. De medische gegevens uit Duitsland uit 2018 en 2019 hebben in 2019 na een nieuwe wachttijd – in verband met een nieuwe aandoening – tot de vaststelling door een verzekeringsarts van het Uwv geleid dat er geen beschikbare mogelijkheden zijn. Deze stukken zien niet op de datum in geding. De stelling van appellante dat de psychische klachten zijn veroorzaakt doordat zij zich jarenlang overvraagd heeft, slaagt niet. In de stukken van Horn en Klinkenberg is daarvoor onvoldoende onderbouwing te vinden, zeker niet over de datum in geding. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de beperkingen en belastbaarheid van appellante door het Uwv op een juiste wijze zijn vastgesteld in de FML van 24 januari 2017, geldig vanaf 14 januari 2014.

4.5.

Uitgaande van juistheid van de FML, wordt evenals de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde voorbeeldfuncties geschikt zijn voor appellante. Bij een einde wachttijd beoordeling mogen nieuwe functies worden geselecteerd. Ook blijkt uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst dat er drie arbeidsplaatsen voorhanden zijn bij de functie medewerker medische registratie. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet zou beschikken over het juiste opleidingsniveau. Voor de overige (herhaalde) gronden wordt verwezen naar het oordeel van de rechtbank en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juni 2017. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het Uwv met ingang van 14 januari 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 45 tot 55%.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding voor veroordeling tot vergoeding van schade, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M. Graveland