Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
18/4947 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd terug te komen van het eerder genomen besluit, waarin nabestaandenuitkering is geweigerd. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4947 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2018, 17/5801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 19 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1998 gehuwd met [naam echtgenoot] (echtgenoot). De echtgenoot is geboren [in] 1947. De echtgenoot van appellante is verzekerd geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) over de periode van 30 september 1966 tot en met 11 mei 2011. In 2012 is de echtgenoot een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend en is de echtgenoot naar Marokko teruggekeerd. Bij besluit van 29 juni 2012 heeft de Svb de echtgenoot geïnformeerd over de gevolgen van zijn terugkeer voor het ouderdomspensioen en de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren voor de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Op [sterfdatum] 2015 is de echtgenoot overleden.

1.2.

Appellante heeft op 17 september 2015 een nabestaandenuitkering op grond van de Anw aangevraagd. Bij besluit van 23 oktober 2015 is de aanvraag afgewezen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 20 mei 2016. Dit besluit is gebaseerd op de overweging dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat zij geen nabestaande in de zin van de Anw is, doordat de echtgenoot op de dag van overlijden niet (verplicht) verzekerd was en hij zich niet vrijwillig heeft verzekerd voor deze wet.

1.3.

Bij brief van 2 augustus 2016 heeft appellante opnieuw gevraagd haar een nabestaandenuitkering toe te kennen. Dit verzoek heeft de Svb bij besluit van 5 september 2016 afgewezen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 24 augustus 2017 (bestreden besluit). Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan de Svb zou moeten terugkomen van het besluit van 23 oktober 2015. Volgens de Svb is er ook geen grond om vanaf de datum van het verzoek van 2 augustus 2016 terug te komen van dit besluit, omdat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven terug te komen van de afwijzing van de aanvraag om een nabestaandenuitkering. Niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aan te merken het feit dat haar echtgenoot in Nederland heeft gewerkt of dat appellante bereid is alsnog premie voor de vrijwillige Anw‑verzekering te betalen. Geoordeeld is dat het bestreden besluit niet onmiskenbaar onjuist of (in een andere zin) evident onredelijk is. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb niet vanaf de datum van het verzoek van 2 augustus 2016 hoefde terug te komen van het besluit van 23 oktober 2015, omdat appellante geen deugdelijke en toereikende onderbouwing heeft gegeven van haar verzoek.

3.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de Svb van het besluit van 23 oktober 2015 dient terug te komen en dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering. Appellante heeft erop gewezen dat zij weduwe is en de zorg voor een kind heeft.

3.2.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat bij het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om alsnog een nabestaandenuitkering toe te kennen terecht is gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingebracht. Wat de rechtbank heeft geoordeeld is juist. Het oordeel van de rechtbank is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:752, waarnaar in de aangevallen uitspraak is verwezen. Zowel in het bestreden besluit als in de aangevallen uitspraak is voldoende uiteengezet waarom de herhaalde aanvraag van appellante niet voor toewijzing in aanmerking komt. Deze overwegingen worden overgenomen. De omstandigheid dat appellante weduwe is en de zorg voor een kind heeft, leidt niet tot een ander oordeel.

4.2.

De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) L.R. Daman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.