Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
17/7262 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7833, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Melding terecht opgevat als een beroep op de regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Zorgvuldig medisch onderzoek. Onvoldoende objectieve medische gegevens beschikbaar om vast te kunnen stellen dat de toename van de klachten van appellant dusdanig was dat dit tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7262 WAO

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 oktober 2017, 17/108 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 mei 2018.

Appellant heeft nog een brief ingediend.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 25 maart 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als assistent buitenruimte voor 36 uur per week. Nadat hij op 22 oktober 1997 was uitgevallen wegens lichamelijke en psychische klachten is hij na afloop van de wachttijd met ingang van 21 oktober 1998 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 5 december 2002 heeft het Uwv per 7 december 2002 deze uitkering beƫindigd, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

1.2.

Appellant heeft op 18 februari 2016 melding gedaan van verslechtering van zijn gezondheid. Hij heeft vermeld dat de situatie nooit is verbeterd. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft medisch onderzoek verricht en op 26 april 2016 een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 9 juni 2016 de aanvraag afgewezen.

1.3.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, waarbij hij nadere medische informatie, te weten een huisartsenjournaal van 13 oktober 2016, heeft overgelegd. Op grond van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 november 2016 is dit bezwaar bij besluit van 30 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er binnen vijf jaar na 7 december 2002 sprake is geweest van perioden met toegenomen klachten als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellant een uitkering ontving, maar dat niet is vast te stellen of deze toename ook een hogere mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO inhoudt. De omstandigheid dat door het tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, komt voor rekening van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waaruit volgt dat het risico dat de medische toestand als gevolg van het tijdsverloop niet meer kan worden vastgesteld rust op degene die de laattijdige aanvraag doet, heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat over de relevante periode onvoldoende objectieve medische gegevens beschikbaar zijn om vast te kunnen stellen dat de toename van de klachten van appellant dusdanig was dat dit tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid heeft geleid. Verder heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is uitgevoerd dan wel dat sprake is van onzorgvuldig handelen door het Uwv.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij hem heeft neergelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak concreet vastgesteld. Het ligt dan ook op de weg van het Uwv om vervolgens vast te stellen of deze toename leidt tot verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Het Uwv heeft niet gemotiveerd waarom dit niet kan worden beoordeeld. Indien het Uwv deze beoordeling niet had kunnen maken, had het Uwv een deskundige moeten inschakelen. Verder stelt appellant dat hij bedoeld heeft een verzoek in te dienen om terug te komen van het besluit van 5 december 2002 en dat daarom ook de duuraanspraak moet worden beoordeeld. Volgens appellant berust het besluit van 5 december 2002 op onjuiste gronden. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschikt is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Het Uwv heeft op goede gronden geconcludeerd dat over de in deze zaak relevante periode van 7 december 2002 tot en met 6 december 2007, onvoldoende objectieve medische gegevens beschikbaar zijn om vast te kunnen stellen dat de toename van de klachten van appellant dusdanig was dat dit tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO heeft geleid.

4.3.

Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld moet volgens vaste rechtspraak van de Raad de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico blijven van de degene die (alsnog) de late aanvraag doet. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 3 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1963) en 27 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4306). Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, omdat appellant pas in 2016 om heropening van zijn in 2002 beƫindigde WAO-uitkering heeft verzocht.

4.4.

Appellant heeft noch in beroep, noch in hoger beroep medische informatie overgelegd op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid in de beoordelingsperiode van december 2002 tot december 2007 zou kunnen worden vastgesteld. In het dossier bevindt zich over deze periode enkel het huisartsenjournaal. Daaruit blijkt weliswaar dat appellant zich in 2004 en 2007 bij de huisarts heeft gemeld met psychische klachten en dat hij daarvoor is doorverwezen naar het Riagg en naar transculturele hulpverlening. Nadere informatie van het Riagg of andere hulpverlening over de beoordelingsperiode ontbreekt. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 15 mei 2018 heeft toegelicht, kan het huisartsenjournaal niet dienen voor de vaststelling van de aard, ernst en duur van de mogelijke beperkingen van appellant in de beoordelingsperiode en is daarom terecht door het Uwv ongeschikt bevonden om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Bovendien is in de door appellant aan het Uwv overgelegde brief van psychiater I. Bamburac van I-Psy van 15 februari 2016 vermeld, dat appellant pas vanaf 2008 tot en met 2014 vanwege psychische klachten in behandeling is geweest bij het Riagg, dus niet in de beoordelingsperiode. Niet is gebleken dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest of getwijfeld zou moeten worden aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit betekent dat er geen aanleiding is om een deskundige in te schakelen.

4.5.

Het Uw heeft terecht de melding van appellant van 18 februari 2016 opgevat als een beroep op de regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Uit de melding en het rapport van de verzekeringsarts van 26 april 2016 blijkt dat appellant een melding vanwege toegenomen klachten heeft gedaan. De beroepsgrond dat ten onrechte de duuraanspraken niet zijn beoordeeld slaagt dan ook niet.

4.6.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) E.D. de Jong