Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
17/2667 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1955, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Volgens de door de Raad geraadpleegde deskundige was de borderline-persoonlijkheidsstoornis mild van ernst en hoefde deze niet tot arbeidsongeschiktheid te leiden. Wel was het belangrijk om daar in het werk rekening mee te houden: mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis worden doorgaans minder door hun persoonlijkheidsstoornis gehinderd als het sociale contact duidelijk, betrouwbaar en transparant is. Tevens moest er sprake zijn van een beperkte werkdruk. Voldoende gemotiveerd dat appellante geschikt was voor ten minste één van de eerder in het kader van de EZWb geduide functies. De deskundige heeft geschreven dat appellante door de angstklachten en depressieve klachten waarschijnlijk op de datum in geding af en toe zou zijn uitgevallen voor het werk. Af en toe uitvallen is geen bovenmatig ziekteverzuim op grond waarvan gesteld kan worden dat de functies niet geschikt zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2667 ZW

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 maart 2017, 16/3986 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Arakelyan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken, waaronder een rapport van een psychodiagnostisch onderzoek, ingediend.

Het Uwv heeft reacties hierop van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Arakelyan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

Het onderzoek ter zitting is heropend en de Raad heeft psychiater dr. E. van Duijn als deskundige benoemd. De deskundige heeft een rapport uitgebracht.

Partijen hebben op het rapport gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als consulente in de thuiszorg voor tien uur per week. Op 3 juni 2014 heeft zij zich ziek gemeld met energetische klachten en psychische klachten in de vorm van angst- en stemmingsklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 mei 2015 vastgesteld dat appellante per 3 juli 2015 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als consulente in de thuiszorg, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 mei 2015 is bij besluit van 19 augustus 2015 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellante heeft zich op 11 december 2015 opnieuw ziek gemeld met psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op 26 februari 2016 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 1 maart 2016 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies van boekhouder, loonadministrateur (beginnend) (SBC-code 315040), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2016 vastgesteld dat appellante per 1 maart 2016 geen recht meer had op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juni 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht. Zij hadden beschikking over voldoende medische gegevens om hun oordeel op te baseren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat appellante geschikt is voor de in het kader van de EZWb geduide functies, waarbij met name de functie huishoudelijk medewerker gebouwen passend is geacht. Deze functie is psychisch niet belastend, is vrij solitair en kent weinig situaties waarbij interactie vereist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook alle brieven van de behandelaars besproken, zodat er geen sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of motiveringsbeginsel. Appellante is terecht met ingang van 1 maart 2016 in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar behandelend psychotherapeut heeft verklaard dat appellante in vergaande mate sociaal gerelateerde problemen ondervindt en met een depressie kampt. Appellante heeft moeite met het reguleren van haar emoties. De verzekeringsarts wijkt af van de bevindingen van de psychotherapeut in die zin dat de verzekeringsarts stelt dat appellante geen arbeid kan verrichten waar een ruime mate van sociale interactie een vaste taak is, terwijl de psychotherapeut haar beperkt acht voor activiteiten die enige mate van interpersoonlijke relaties met anderen vergen. De verzekeringsarts motiveert niet waarom hij afwijkt van de bevindingen van de psychotherapeut. De verzekeringsarts had informatie bij de psychotherapeut moeten opvragen. Appellante heeft wekelijkse consulten. In de functie huishoudelijk medewerker gebouwen staat dat er meestal alleen op een verdieping moet worden gewerkt. Hieruit vloeit voort dat er ook dikwijls met collega’s op een verdieping moet worden gewerkt. Tot slot merkt appellante op dat de verzekeringsarts bij het nemen van de primaire beslissing een berekening heeft gemaakt van de inkomensachteruitgang. Hieruit blijkt (de schijn van) de vooringenomenheid. Appellante heeft in hoger beroep een overzicht van voorgeschreven medicatie, een brief van Ipsy van 18 april 2017 en een rapport van een medisch belastbaarheidsonderzoek van 10 april 2016 ingebracht. Uit dat rapport blijkt dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport van een tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht, waarin zij is ingegaan op de door appellante ingebrachte stukken en te kennen heeft gegeven hierin geen aanleiding te zien voor een wijziging van het door haar collega-verzekeringsarts bezwaar en beroep eerder ingenomen standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

De Raad heeft aanleiding gezien een deskundige, psychiater Van Duijn, te benoemen, omdat er onduidelijkheid bleef bestaan over het antwoord op de vraag of appellante op 1 maart 2016 (de datum in geding) in staat was haar eigen werk als boekhouder, loonadministrateur (beginnend), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), huishoudelijk medewerker gebouwen of medewerker tuinbouw te verrichten. De deskundige heeft in zijn rapport van 15 juli 2019 geconcludeerd dat op de datum in geding bij appellante sprake was van een borderline-persoonlijkheidsstoornis en waarschijnlijk daarnaast ook van een paniekstoornis. Zij had ook depressieve klachten die mogelijk voldeden aan de criteria van een depressieve stoornis, maar dit is niet met zekerheid vast te stellen. Deze aandoeningen leidden tot beperkingen in het persoonlijk, sociaal en beroepsmatig functioneren. Vooral in de contacten met anderen en in situaties van beoordeling en druk, zouden de klachten toenemen en tot meer beperkingen leiden. Volgens de deskundige was de borderline-persoonlijkheidsstoornis mild van ernst en hoefde deze niet tot arbeidsongeschiktheid te leiden. Wel was het belangrijk om daar in het werk rekening mee te houden: mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis worden doorgaans minder door hun persoonlijkheidsstoornis gehinderd als het sociale contact duidelijk, betrouwbaar en transparant is. Tevens moest er sprake zijn van een beperkte werkdruk. De kans dat appellante op de datum in geding meer belemmerd werd in haar functioneren door de angstklachten die zij toen had is groot. De deskundige heeft de functies loonadministrateur en productiemedewerker als niet geschikt aangemerkt vanwege de sociale interacties, deadlines en hogere werkdruk. Met betrekking tot de functies huishoudelijk medewerker en medewerker tuinbouw heeft de deskundige opgemerkt dat deze functies meer solitair zijn. Hij heeft het waarschijnlijk geacht dat de angstklachten en depressieve klachten op de datum in geding invloed zouden hebben gehad op het functioneren van appellante, waardoor zij mogelijk af en toe zou zijn uitgevallen, ook in die functies.

5.1.

Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 6 december 2017 ECLI:NL:CRVB:2017:4287) dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het onderzoek door de deskundige is als zorgvuldig aan te merken. De deskundige heeft de aanwezige medische informatie in de beoordeling betrokken, waaronder ook de stukken die appellante heeft meegenomen naar het onderzoek door de deskundige. De deskundige heeft in zijn rapport de bevindingen van het onderzoek nauwkeurig weergegeven. Het rapport van de deskundige is inzichtelijk en consistent.

5.2.

De tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 24 juli 2019 gesteld dat de functie huishoudelijk medewerker gebouwen voldoet aan de door de deskundige genoemde voorwaarden. In deze functie is het sociale contact volgens haar duidelijk, betrouwbaar, voorspelbaar en transparant. Het enige sociale contact dat in die functie voorkomt is de incidentele controle door de bedrijfsleider. Dit standpunt wordt onderschreven. Het betreft hier een solitaire functie waarbij nauwelijks contact met derden voorkomt. De beperkingen van appellante die voortkomen uit de angstklachten en depressieve klachten zijn door het Uwv goed ingeschat en in de functie huishoudelijk medewerker gebouwen wordt met de beperkingen rekening gehouden. Er is geen sprake van wisselende taakinhoud, het hanteren van emotionele problemen van anderen komt niet voor en er hoeft niet te worden samengewerkt.

5.3.

De deskundige heeft geschreven dat appellante door de angstklachten en depressieve klachten waarschijnlijk op de datum in geding af en toe zou zijn uitgevallen voor het werk. Af en toe uitvallen is geen bovenmatig ziekteverzuim op grond waarvan gesteld kan worden dat de functies niet geschikt zijn voor appellante.

5.4.

Van (schijn van) vooringenomenheid van de verzekeringsartsen van het Uwv, zoals door appellante is betoogd, is de Raad niet gebleken.

5.5.

Het Uwv wordt gevolgd in de stelling dat appellante op 1 maart 2016 geschikt was voor ten minste één van de in het kader van de EZWb geduide functies. Het voorgaande betekent dat het Uwv de ZW-uitkering terecht met ingang van 1 maart 2016 heeft beëindigd.

6. De overwegingen in 5.1 tot en met 5.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) A.L. Abdoellakhan