Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1902

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
18/5645 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. In de FML voldoende rekening gehouden met de beperkingen. Diagnose PTSS? Niet de diagnose is bepalend voor de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is, maar diens beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek per de datum in geding. De verzekeringsarts heeft dan ook terecht opgemerkt dat niet de vraag is of er sprake was van PTSS, maar of appellante arbeidsongeschikt was of niet. Het Uwv heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5645 ZW

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2018, 17/5048 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als administratief medewerker (thuiswerk) voor 24 uur per week, toen zij zich op 8 januari 2016 voor dit werk ziek meldde met lichamelijke en psychische klachten. Het dienstverband is op 12 augustus 2016 geëindigd, omdat haar werkgever failliet is verklaard. Het Uwv heeft aan appellante ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Op 5 oktober 2016 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 6 januari 2017 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van administratief medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 30 december 2016 vastgesteld dat appellante per 6 januari 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juni 2017 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 9 mei 2018 heeft vermeld dat de verklaring van psycholoog NIP E. Vermeulen van 7 november 2017 geen nieuwe medische gegevens bevat, dat deze psycholoog appellante pas enkele maanden na de datum in geding voor het eerst heeft gezien en dat de bevindingen niet zomaar op de datum in geding van toepassing kunnen worden geacht. In de verklaring van de psycholoog staan ook geen onderzoeksbevindingen, maar worden alleen de klachten beschreven. Ten slotte is de diagnose van beperkte waarde om te kunnen bepalen of appellante wel of niet arbeidsongeschikt is. Het gaat om het geheel van klachten, functioneren en onderzoekbevindingen, waar de diagnose onderdeel van is, die moet worden afgewogen tegen de belasting in het eigen werk. In dit geval is sprake van werk dat psychisch niet fors belastend is en ook niet fulltime is. Hoewel het trauma dat aanleiding heeft gegeven voor de posttraumatische stressstoornis heeft plaatsgevonden vóór de datum in geding, is niet gebleken dat de stoornis zelf zich op de datum in geding al heeft geopenbaard. Verder acht de rechtbank van belang dat rekening is gehouden met de psychische klachten van appellante door haar aangewezen te achten op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. De psychische beperkingen leiden niet tot de conclusie dat appellante ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Het Uwv had onder meer de behandelend sector moeten raadplegen. Het rapport van de door het Uwv ingeschakelde psychiater Cohen is volgens appellante niet onafhankelijk, niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en bevat tegenstrijdigheden waardoor een onjuiste diagnose is gesteld. De diagnose van psycholoog Vermeulen is volgens appellante ten onrechte niet in acht genomen en de diagnose PTSS was volgens haar reeds op de datum in geding aan de orde.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat hierover door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Appellante is door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien, waarbij in opdracht van de verzekeringsarts ook een psychiatrische expertise is verricht door psychiater Cohen van Psyon. Anders dan appellante van mening is, geeft het rapport van Cohen blijk van een zorgvuldig onderzoek en is het rapport inzichtelijk en consistent. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bovendien ook nog informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante. Voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook bij andere behandelaars nadere informatie had moeten opvragen bestaat geen aanleiding. Daarbij heeft de rechtbank terecht verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel en dat raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen van deze situaties zich hier voordoet. Niet is gebleken of door appellante aangevoerd dat er nieuwe medische inzichten waren of behandelingen waren ingezet. Wat appellante verder in de (hoger) beroepsgronden en ter zitting van de Raad aan klachten heeft vermeld, stemt overeen met de klachten die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 5 oktober 2016 en 29 december 2016 kenbaar in de afweging heeft betrokken.

4.3.

Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Het Uwv heeft met de in 4.2 aangehaalde rapporten en het rapport van 9 mei 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van 12 januari 2017 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv de informatie van psycholoog Vermeulen onvoldoende in acht heeft genomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 9 mei 2018 overtuigend gemotiveerd dat de brieven van Vermeulen geen nieuwe medische gegevens bevatten, dat appellante pas enkele maanden na de datum in geding voor het eerst is gezien door Vermeulen en dat de bevindingen dan ook niet zomaar op datum in geding van toepassing kunnen worden geacht. Daarnaast staan in de brieven van Vermeulen geen onderzoeksbevindingen maar worden de klachten van appellante beschreven.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep een brief van haar huisarts van 29 oktober 2018 overgelegd. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2019 overtuigend toegelicht dat de informatie van huisarts geen nieuwe gegevens bevat. De in de brief van de huisarts genoemde gebeurtenissen die appellante als traumatisch heeft ervaren zijn bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid al meegewogen. De grond van appellante dat uit deze brief volgt dat voorafgaande aan de datum in geding al de diagnose PTSS aan de orde was, treft geen doel. Nog daargelaten dat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze diagnose niet door de huisarts kan worden gesteld, heeft de Raad herhaaldelijk uitgesproken dat niet de diagnose bepalend is voor de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is, maar diens beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek per de datum in geding (zie de uitspraak van de Raad van 2 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7575). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 11 maart 2019 dan ook terecht opgemerkt dat niet de vraag is of er op 6 januari 2017 sprake was van PTSS, maar of appellante op die datum arbeidsongeschikt was of niet. Het Uwv heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is.

4.5.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) A.L. Abdoellakhan