Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1901

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
15-5733 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De deskundigenrapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Met de gewijzigde FML van 3 maart 2020 is onvoldoende tegemoet gekomen aan de beperking van appellant op het aspect 1.2 (verdelen van de aandacht). De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 maart 2020 is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Onjuiste medische grondslag besluit. Nieuwe beslissing op bezwaar waarbij de beperkingen van appellant in een nieuw op te stellen FML volledig overeenkomstig de conclusies in het rapport van Wolff-Van der Ven dienen te worden weergegeven. Daarna zal een nieuwe arbeidskundige beoordeling moeten plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5733 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2015, 14/4411 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P. Schrale-Oranje, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schrale-Oranje. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

Na de zitting is het onderzoek heropend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

De Raad heeft neuropsycholoog R. van Oort benoemd als onafhankelijk deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 8 januari 2019 heeft de deskundige een rapport uitgebracht.

Partijen hebben gereageerd. Van Oort heeft op 7 maart 2019 nader gerapporteerd.

De Raad heeft vervolgens verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven benoemd als deskundige. Op 22 november 2019 heeft Wolff-Van der Ven een rapport uitgebracht.

Partijen hebben op het rapport van Wolff-Van der Ven gereageerd.

Wolff-Van der Ven heeft op 19 februari 2020 nader gerapporteerd.

Hierop heeft het Uwv gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als timmerman voor 44,14 uur per week. Op 4 juni 2012 heeft appellant zich ziek gemeld na een verkeersongeval. Hij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Bij besluit van 15 april 2014 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 2 juni 2014 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum niet arbeidsongeschikt is. Aan het besluit van 15 april 2014 ligt een rapport van een verzekeringsarts ten grondslag. Bij besluit van 26 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant een expertiserapport overgelegd van psycholoog R. Been van medio december 2014. Het rapport van Been heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 6 februari 2015 aanleiding gegeven een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen.

Aansluitend heeft er een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Een arbeidskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. In overeenstemming met deze rapporten heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant, met een gewijzigde grondslag, per 2 juni 2014 evenmin in aanmerking kan komen voor een WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In verband met de in beroep gewijzigde motivering heeft de rechtbank aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant en het door hem betaalde griffierecht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant - kort gezegd – zijn standpunt herhaald dat de intense vermoeidheid die voortvloeit uit zijn hersentrauma onvoldoende in de beoordeling is betrokken. Hij heeft bestreden dat die beperkingen niet te objectiveren zijn en heeft gesteld dat er naast de ongevalsgevolgen sprake is van een ernstige vorm van dyslexie. Hij heeft hierbij verwezen naar de reeds bekende informatie van de behandelend neuroloog AW.F. Rutgers van 5 juni 2012 en 6 juni 2012 en het rapport van Been en heeft in hoger beroep een rapport van GZ-psycholoog drs. M. Herben-Dekker van 25 juli 2016 ingezonden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Omdat in hoger beroep twijfel is ontstaan over de vraag of er bij appellant op 2 juni 2014 sprake is van beperkingen die niet zijn vermeld in de FML van 6 februari 2015, heeft de Raad een deskundige benoemd. De door de Raad ingeschakelde deskundige Van Oort heeft aanleiding gezien om betrokkene meer beperkt te achten per de datum in geding, 2 juni 2014. Het gaat dan om de items concentreren, verdelen van de aandacht en handelingstempo in rubriek 1 van de FML.

3.4.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige Van Oort heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 18 januari 2019 rapport uitgebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat er geen aanleiding is de door Van Oort aangegeven beperkingen over te nemen. Hoewel er bij appellant bij neuropsychologische testen wel afwijkingen werden gevonden, zijn deze niet van dien aard dat dat leidt tot het aannemen van vergaande beperkingen in de FML.

3.5.

Omdat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de beperkingen van appellant niet overeenkomt met het standpunt van Van Oort, heeft de Raad besloten tot inschakeling van deskundige Wolff-Van der Ven voor onderzoek en advies. In haar rapport van 22 november 2019 heeft de deskundige geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant, neergelegd in de FML van 6 februari 2015, aanvulling behoeft.

3.6.

Het rapport van Wolff-Van der Ven en haar nadere reactie zijn voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding geweest de voor appellant op 6 februari 2015 vastgestelde FML aan te passen conform de voorstellen van de deskundige met uitzondering van de beperking op het aspect 1.2 (verdelen van de aandacht). Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoet appellant op geen enkele manier aan de criteria, waardoor volgens de CBBS‑systematiek een beperking ten aanzien van het verdelen van de aandacht gegeven kan worden. Een en ander is vastgelegd in een FML van 3 maart 2020. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee van de geselecteerde functies laten vervallen en op grond van de overgebleven functies de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 35% vastgesteld.

3.7.

Appellant heeft in een reactie op de rapporten van de deskundigen aangevoerd dat beperkingen in de FML moeten worden vastgelegd ten aanzien van de aspecten 1.1, 1.2, 1.3, 4.11 en een urenbeperking.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De deskundigenrapporten van Van Oort van 8 januari 2019 en 7 maart 2019 en de deskundigenrapporten van Wolff-Van der Ven van 22 november 2019 en 19 februari 2020 geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Wat betreft de aard en de ernst van de aanwezige beperkingen is Wolff-Van der Ven terecht afgegaan op de bevindingen bij het neuropsychologisch onderzoek van Van Oort. Zij heeft vervolgens inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat op basis van deze bevindingen verdergaande beperkingen moeten worden vastgesteld in het persoonlijk en sociaal functioneren dan in de FML van 6 februari 2015 is aangenomen. De deskundige is op navolgbare wijze tot haar afgewogen conclusies gekomen. In haar reactie van 19 februari 2020 heeft zij naar aanleiding van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2019, haar conclusies nogmaals overtuigend gemotiveerd. De Raad volgt de deskundige eveneens in haar conclusie dat er geen aanleiding is om de door appellant gestelde medische urenbeperking aan te nemen.

4.2.

Uit wat in 4.1 is overwogen, volgt dat met de gewijzigde FML van 3 maart 2020 onvoldoende tegemoet is gekomen aan de beperking van appellant op het aspect 1.2 (verdelen van de aandacht). De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 maart 2020 is onvoldoende om hieraan te twijfelen.

4.3.

Uit wat in 4.1 is overwogen, volgt tevens dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover aangevochten. Het Uwv dient opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2014, waarbij de beperkingen van appellant in een nieuw op te stellen FML volledig overeenkomstig de conclusies in het rapport van Wolff-Van der Ven dienen te worden weergegeven. Daarna zal een nieuwe arbeidskundige beoordeling moeten plaatsvinden. Bij het arbeidskundig onderzoek zal een nadere toelichting bij de geschiktheid van appellant voor de functie van machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) niet mogen ontbreken, mede gelet op de kanttekeningen van Wolff-Van der Ven bij deze functie. De overwegingen van de arbeidskundige bezwaar en beroep in het rapport van 12 maart 2020 om deze functie geschikt te achten hebben de Raad niet overtuigd.

4.4.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De in hoger beroep gemaakte kosten wegens verleende rechtsbijstand worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.575,- in hoger beroep (3 punten).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;

  • -

    vernietigt de beslissing op bezwaar van 26 augustus 2014;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.575,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.L. Abdoellakhan