Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1899

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
18-3957 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven en maakt de Raad tot de zijne. Ook in hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 december 2018 gemotiveerd en inzichtelijk toegelicht dat voor het aannemen van psychische beperkingen op de datum in geding geen aanleiding bestaat. Uit de beschikbare medische stukken in het dossier valt niet af te leiden dat appellante eerder dan december 2017 ernstige psychische klachten had. Appellante heeft geen nadere medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3957 WIA

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

26 juni 2018, 17/3717 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Th. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster verpakkingen/inpak bij [naam werkgever] ([naam werkgever]) voor 32 uur per week. Op 5 maart 2014 heeft zij zich voor dit werk ziek gemeld. Het dienstverband met [naam werkgever] is op 1 december 2014 beƫindigd. Met ingang van 2 maart 2016 is de loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellante berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft appellante op 21 maart 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 maart 2017. Een arbeidsdeskundige heeft, mede naar aanleiding van een werkbezoek bij [naam werkgever], geconcludeerd dat appellante weer geschikt is voor haar eigen werk. Het Uwv heeft bij besluit van 24 april 2017 vastgesteld dat appellante na afloop van de loonaanvullingsuitkering met ingang van 25 juni 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 september 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 30 augustus 2017 met bijbehorende FML van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 18 september 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onderschreven, en een beperking toegevoegd voor professioneel autorijden in verband met de medicatie van appellante. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante aansluit bij de belasting in haar eigen werk en dat zij dus geschikt is voor haar maatgevende functie in de volle omvang.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij op en na 25 juni 2017 op grond van haar medische beperkingen ongeschikt was om haar eigen werk te verrichten. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat zij met ingang van 18 december 2017 weer in aanmerking is gebracht voor een volledige WIA-uitkering op grond van psychische klachten en dat zij mede als gevolg van deze psychische klachten ook in de periode van 25 juni 2017 tot 18 december 2017 ongeschikt was haar werk te verrichten. Appellante was in die periode ook onder behandeling van een psycholoog.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht, mede onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 december 2018, de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens het Uwv zijn er onvoldoende aanknopingspunten om op de datum in geding uit te gaan van beperkingen op het psychische vlak.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 25 juni 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij geschikt is geacht voor haar eigen werk.

4.3.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven en maakt de Raad tot de zijne. De rechtbank heeft daarbij terecht het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd, dat niet is gebleken van een voortdurende psychische kwetsbaarheid op de datum in geding, te meer nu appellante op dat moment niet onder behandeling stond voor psychische klachten. Er bestond dan ook geen aanleiding om beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen. Ook in hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 december 2018 gemotiveerd en inzichtelijk toegelicht dat voor het aannemen van psychische beperkingen op de datum in geding geen aanleiding bestaat. Ook de brief van verpleegkundig specialist GGZ T.H. Langius van 6 maart 2018 geeft daarvoor volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding. In die brief is vermeld dat appellante zich op 18 december 2017 heeft gemeld op de poli Volwassenpsychiatrie en korte tijd daarna is gedecompenseerd en opgenomen in een kliniek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover opgemerkt dat de decompensatie een acuut moment was, geluxeerd door sociale en financiƫle zorgen en dat uit deze brief geen beperkingen kunnen worden afgeleid voor de periode voorafgaand aan de decompensatie. De Raad kan dit standpunt volgen. Uit de beschikbare medische stukken in het dossier valt niet af te leiden dat appellante eerder dan december 2017 ernstige psychische klachten had. Appellante heeft geen nadere medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) D.S. Barthel