Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
19-4815 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De hoger beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard. Geen griffierecht betaald en niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen beroepschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

19/4815 WMO15, 19/4817 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
19 september 2019, 18/5600 en 18/5601 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 25 februari 2020 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 128,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 27 maart 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Voorts geldt ingevolge artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet het volgende.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 19 september 2019 in afschrift aan partijen toegezonden.

Aangezien de rechtbank deze uitspraak op 9 oktober 2019 retour heeft ontvangen met de mededeling “niet afgehaald”, is de uitspraak nogmaals per gewone post aan appellant toegezonden. Daarbij is appellant erop gewezen dat deze tweede verzending van de uitspraak geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van beroep.

Het beroepschrift is digitaal ingediend en ontvangen op 20 november 2019.

Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Appellant heeft in zijn beroepschrift als reden voor de termijnoverschrijding gegeven dat hij de uitspraak van 19 september 2019 pas op 8 november 2019 heeft ontvangen. Appellant bestrijdt dat de rechtbank de uitspraak op 19 september 2019 per aangetekende post aan hem heeft toegezonden. De aangevallen uitspraak is hem eerst bij brief van 9 oktober 2019 toegezonden.

Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In dat verband wordt overwogen dat in situaties als de onderhavige waarin een aangetekend stuk niet wordt afgehaald het uitgangspunt geldt dat het risico dat hoger beroep niet tijdig is ingediend, volledig voor rekening en risico komt van de partij die hoger beroep instelt.

Ten aanzien van beide hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De hoger beroepen zijn kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2020.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) N. Khachatryan

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.