Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
19/2179 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geen ZW-uitkering toegekend. Voldoende gemotiveerd dat er bij de WIA beoordeling al in voldoende mate rekening is gehouden met de fysieke beperkingen van appellante. Inzichtelijk gemotiveerd waarom het medicijngebruik van appellante niet leidt tot een ander oordeel over de arbeidsongeschiktheid. Geen reden gezien appellante te volgen in haar standpunt dat zij door de bijwerkingen van haar medicatie niet in staat is de functie van administratief medewerker uit voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2179 ZW

Datum uitspraak: 13 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 mei 2019, AWB 18/2107 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 39 uur per week. Appellante heeft zich op 7 mei 2015 ziek gemeld wegens knieklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 4 mei 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat zij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht de functies van productiemedewerker, wikkelaar, samensteller kunststof- en rubberindustrie, administratief medewerker en machinebediende inpak- en verpakkingsmachine te vervullen. Vanaf 4 mei 2017 is de WW-uitkering voortgezet.

1.2.

Appellante heeft zich op 28 mei 2018 ziek gemeld met toegenomen knieklachten. Op 4 juli 2018 heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 28 mei 2018 geschikt geacht voor het vervullen van de functie van administratief medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 10 juli 2018 vastgesteld dat appelante per 28 mei 2018 arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk. Daarom krijgt zij geen Ziektewetuitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 11 oktober 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante per 28 mei 2018 in staat moet worden geacht haar arbeid, zijnde ten minste één van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de klachten van appellante en haar medicijngebruik bij de artsen van het Uwv bekend waren en in hun conclusies zijn betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante met een aanvullende beperking op traplopen en werken in een zeer warme omgeving, geschikt geacht voor de functie van administratief medewerker omdat hierin overwegend wordt gezeten. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank niet met medische stukken onderbouwd dat op de datum in geding sprake is geweest van een zodanige toename van beperkingen, dat zij niet langer in staat kon worden geacht tot het verrichten van deze functie. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat vaststaat dat haar artrose is toegenomen. Dat sprake is van een toename van beperkingen blijkt volgens appellante ook uit het feit dat zij via de Wmo hulp in de huishouding moet aanvragen. Dat zij geschikt is geacht voor zittend werk, wil daarnaast volgens appellante niet zeggen dat zij dit werk in de praktijk ook kan uitvoeren, aangezien zij naar het werk moet zien te komen en er op het werk een lift aanwezig moet zijn omdat zij niet kan traplopen. Appellante heeft daarnaast door medicijngebruik last van sufheid en duizeligheid terwijl in de functie van administratief medewerker concentratie en het verdelen van aandacht nodig zijn. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat zij morfine- en fentanylpleisters is gaan gebruiken. Zij is hier weliswaar na de datum in geding mee begonnen, maar hieruit kan volgens appellante wel worden afgeleid dat zij op de datum in geding al een toename van klachten had.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar rapporten van 14 juni 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 15 juli 2019 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar rechtsoverweging 3.1 en 3.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is, wordt onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 oktober 2018 voldoende gemotiveerd dat er bij de WIA‑beoordeling al in voldoende mate rekening is gehouden met de fysieke beperkingen van appellante. Daarnaast heeft hij appellante toegenomen beperkt geacht op traplopen en het werken in een zeer warme omgeving. Omdat appellante haar stelling dat zij wegens een toename van klachten niet in staat is de functie van administratief medewerker uit te voeren, niet heeft onderbouwd met medische gegevens bestaat er geen aanleiding aan de juistheid van deze conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 14 juni 2019 daarnaast inzichtelijk gemotiveerd waarom het medicijngebruik van appellante niet leidt tot een ander oordeel over de arbeidsongeschiktheid. In het rapport wordt opgemerkt dat uit de informatie van de huisarts blijkt dat appellante in elk geval vanaf 29 juni 2017 tramadol gebruikt. In daarop volgende episoden in het huisartsenjournaal worden geen klachten vermeld van sufheid en duizeligheid, of andere klachten die te duiden zijn als bijwerkingen van dit medicijn. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 6 juli 2018 of eerdere verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook niet dat appellante klaagt over sufheid en duizeligheid. De bevindingen tijdens de hoorzitting wijzen evenmin op het bestaan van sufheid, concentratieproblemen of andere cognitieve beperkingen. Ten slotte vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de stelling van appellante dat uit het feit dat zij na de datum geding zwaardere pijnstilling is gaan gebruiken, kan worden afgeleid dat zij op datum geding meer beperkt was, door haar niet wordt onderbouwd met medische gegevens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert daarom dat geen reden bestaat om op de datum in geding beperkingen aan te nemen wegens bijwerkingen door de gebruikte medicatie. Gelet op deze motivering die navolgbaar is, wordt geen reden gezien appellante te volgen in haar standpunt dat zij door de bijwerkingen van haar medicatie niet in staat is de functie van administratief medewerker uit voeren.

4.4.

De stelling van appellante dat zij de functie van administratief medewerker in de praktijk niet zal kunnen uitoefenen, wordt niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 15 juli 2019 vermeld dat in de functie van administratief medewerker geen traplopen voorkomt, zodat dit geen belemmering is voor appellante om de functie uit te kunnen voeren. Verder wordt in het rapport geconcludeerd dat in de functie de belasting op lopen de beperkingen appellante hierop, niet overstijgt. Ten slotte wordt opgemerkt dat de beperkingen van appellante ten aanzien van lopen en trappenlopen geen aanleiding zijn te veronderstellen dat het werk voor haar niet bereikbaar is, al dan niet met inzet van een vervoersvoorziening. Appellante heeft hier niets tegenover gesteld zodat aangenomen moet worden dat zij gelet op haar beperkingen de functie van administratief medewerker moet kunnen vervullen.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) L.E. König