Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
19/4874 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitbetaling niet-genoten verlofuren. Omvang verlofaanspraak. Geen inzichtelijke boekhouding van het verlof. Bij de berekening van de vergoeding voor niet-genoten verlofuren uitgaan van het bepaalde in artikel 23, tweede en zevende lid, in samenhang met artikel 24, eerste lid, van het Arar. Dit brengt met zich dat appellant aanspraak maakt op een vergoeding ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar. Bruto-uurloon juist vastgesteld. Terecht niet overgegaan tot het vergoeden (en uitbetalen) van de wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4874 AW

Datum uitspraak: 13 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van

16 oktober 2019 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2130, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg vernietigd, het beroep gegrond verklaard en, voor zover hier van belang, het bestreden besluit van 12 juli 2016 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om met in achtneming van wat in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de uitbetaling van de niet-genoten verlofuren. Daarbij heeft de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door de staatssecretaris nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 16 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris berekend dat appellant ten tijde van zijn ontslag op 7 oktober 2011 nog aanspraak had op 226 verlofuren. Met toepassing van het bruto uurloon van € 18,49 heeft appellant recht op een vergoeding van € 4.178,74 bruto voor deze uren. Na verrekening met de nog openstaande schuld van appellant van € 4.449,21 voor het bezwaar van appellant wordt de resterende schuld van appellant vastgesteld op € 270,47.

Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat, beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.2.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 25 juni 2019. Hij volstaat nu met het volgende.

1.3.

Nu partijen zijn verdeeld over de omvang van de verlofaanspraak en een inzichtelijke boekhouding van het verlof ontbreekt, dient de berekening van de verlofaanspraak te geschieden met inachtneming van artikel 23, tweede en zevende lid, in verbinding met artikel 24, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Arar), zoals deze artikelen luidden ten tijde van het ontslag op 7 oktober 2011.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.1.

Artikel 23, tweede lid, van het Arar, zoals dit luidde ten tijde van het ontslag, bepaalt dat de ambtenaar in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie dient op te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode indien voor hem een volledige werktijd geldt en tot in evenredigheid lagere getallen indien voor hem een onvolledige werktijd geldt.

2.1.2.

Artikel 23, zevende lid, van het Arar, zoals dit luidde ten tijde van het ontslag, bepaalt dat niet-opgenomen vakantie, waaronder eventuele van vorige jaren overgeboekte vakantie, naar het volgende kalenderjaar wordt overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens artikel 22, eerste tot en met twaalfde lid, verminderd met de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vakantie.

2.1.3.

Artikel 24, eerste lid, van het Arar, zoals dit luidde ten tijde van het ontslag, bepaalt dat, indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd.

2.2.

Appellant heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de berekening van de verlofaanspraak vanaf 1 april 2005, althans per 1 januari 2006 dient te worden berekend. Volgens zijn eigen berekening maakt hij aanspraak op vergoeding van een bedrag van

€ 14.368,36, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van de uitspraak van de Raad diende de staatssecretaris bij de berekening van de vergoeding voor niet-genoten verlofuren uit te gaan van het bepaalde in artikel 23, tweede en zevende lid, in samenhang met artikel 24, eerste lid, van het Arar. Dit brengt met zich dat appellant aanspraak maakt op een vergoeding ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar.

2.3.

Appellant stelt zich subsidiair op het standpunt dat de staatssecretaris bij de vergoeding van de 226 verlofuren uit had moeten gaan van een bruto-uurloon inclusief toeslagen van

€ 19,31. In dat geval maakt hij, na verrekening met de openstaande vordering, aanspraak op een bedrag van € 1.293,17. Door de staatssecretaris wordt ten onrechte gerekend met een bruto-uurloon van € 18,49, aldus appellant. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift gemotiveerd uiteengezet dat uit de salarisstrook van oktober 2011 blijkt dat het bruto uurloon van appellant € 13,87 bedroeg bij een arbeidsduur van 36 uur. Aangezien de arbeidsduur van appellant als personenchauffeur volgens het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst (Staatsblad 2010, 819) gemiddeld 48 uur per week bedraagt, dient de factor 48/36 te worden toegepast. Bij een arbeidsduurfactor van 48/36 bedraagt het bruto uurloon € 18,49. Bij de berekening hoefde de staatssecretaris geen rekening te houden met eventuele toeslagen. Artikel 24, eerste lid, van het Arar gaat immers uit van het salaris zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Arar in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) en niet van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Arar in samenhang met artikel 2, aanhef en onder f van het BBRA.

2.4.

Ten slotte heeft appellant betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte niet is overgegaan tot het vergoeden (en uitbetalen) van de wettelijke rente. Dit betoog wordt niet gevolgd. Nu uit 2.2 en 2.3 volgt dat de staatssecretaris de verlofaanspraak op de juiste wijze heeft berekend, blijft na verrekening nog een openstaand bedrag over dat appellant aan de staatssecretaris dient te betalen. De staatssecretaris heeft zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat er reeds om die reden geen reden is om appellant een wettelijke rente uit te betalen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

2.5.

Uit wat in 2.1 tot en met 2.3 is overwogen volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) P.W.J. Hospel