Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
19/4150 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant gedurende de verlenging van zijn PIR in 2018 terecht niet in aanmerking is gebracht voor een arbeidsmarkttoeslag. De uitvraag voor een reservist van begin 2017 was niet afkomstig van de primaire eenheid van appellant, het [onderdeel], maar van het LTC. Ook was de uitvraag niet specifiek gericht op een RSD, zodat iedere reservist, ongeacht zijn label, daarop kon reageren. Nu appellant is opgeroepen voor een PIR waarvoor deze specifieke civiele deskundigheid niet is vereist, komt hij niet in aanmerking voor toekenning van een arbeidsmarkttoeslag. In overeenstemming hiermee is in de uitvraag uitdrukkelijk vermeld dat voor deze IIR geen arbeidsmarkttoelage geldt. Geen schending van vertrouwensbeginsel. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de stelling van appellant dat aan zijn inzet ten onrechte een maximum van 32 uur per week is verbonden, evenals de overwegingen waarop dit oordeel berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4150 MAW

Datum uitspraak: 13 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 augustus 2019, 18/6162 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commandant Landstrijdkrachten (commandant)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.C. Coppens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.1.

Appellant is aangesteld bij het reservepersoneel van de Koninklijke Landmacht als van [functie 1] bij het [onderdeel]

.

1.2.

In 2017 heeft het Bureau Reservisten van het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) een uitvraag Individuele Inzet Reservisten (IIR) gedaan. In verband met de uitzending van de Chef Staf van het Land Training Centre (LTC) was er behoefte aan een reservist die tijdelijk een deel van de staftaken kon overnemen onder supervisie van de plaatsvervangend commandant LTC. In deze uitvraag is vermeld dat voor deze IIR-opdracht geen arbeidsmarkttoelage van toepassing is.

1.3.

Nadat appellant op deze uitvraag had gereageerd, is hij bij besluit van 18 april 2017 opgeroepen in werkelijke dienst voor de periode van 3 april 2017 tot en met
31 december 2017 om werkzaamheden te verrichten als [functie 2] LTC. Appellant heeft deze functie op basis van Projectmatige Inzet Reservisten (PIR) vervuld zonder een arbeidsmarkttoelage te ontvangen.

1.4.

Bij besluit van 15 december 2017 is de oproeping in werkelijke dienst PIR van appellant verlengd tot en met 31 december 2018, waarbij hij voor 32 uur per week de functie [functie 3] gaat verrichten.

1.5.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zijn bezwaren zijn gericht tegen het maximum aantal uren per week van 32 en het niet toekennen van een arbeidsmarkttoeslag.

1.6.

Bij besluit van 26 juli 2018 (bestreden besluit) heeft de commandant het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt, samengevat, ten grondslag dat er geen aanleiding is om af te wijken van de Nota Tijdelijke Richtlijnen Individuele Inzet Reservisten van
20 september 2017 van het Hoofd Bureau Reservisten CLAS van 20 september 2017 (Nota), waarin het maximum aantal uren voor een IIR is gesteld op 32 uur per week. In het geval van appellant is bij de uitvraag voor deze IIR kenbaar gemaakt dat geen arbeidsmarkttoeslag zou worden toegekend. Hij verblijft namelijk niet op basis van specifieke deskundigheid in werkelijke dienst. Dat hem eerder - ten onrechte - wel een arbeidsmarkttoelage is toegekend, betekent niet dat deze fout moet worden herhaald. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, nu niet is gebleken dat het bevoegd gezag toezeggingen heeft gedaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de in beroep aangevoerde gronden gehandhaafd en in aanvulling daarop, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Omdat hij in het verleden is aangesteld als RSD, geschiedt elke tijdelijke plaatsing vanuit die aanstelling en is daaraan een arbeidsmarkttoelage verbonden. Daarnaast is appellant in de functie [functie 3] ingezet vanwege zijn specifieke deskundigheid. Bij de verlenging van de plaatsing is de opdrachtgever van het LTC tijdens het sollicitatiegesprek akkoord gegaan met de voorwaarde van appellant om een arbeidsmarkttoelage te ontvangen. Hij mocht erop vertrouwen dat deze toezegging gestand zou worden gedaan. Daar komt bij dat de arbeidsmarkttoelage al sinds de aanstelling als RSD verdisconteerd is in zijn salarisschaal. Appellant heeft in het sollicitatiegesprek ook afgesproken dat hij 34 uur per week zou werken; daaraan moet de commandant zich houden. Aan de Nota komt geen verbindende kracht toe, nu deze niet bekend was bij het LTC en bij appellant en het de vraag is of het Hoofd Bureau Reservisten CLAS bevoegd was tot het vaststellen van de Nota.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Arbeidsmarkttoeslag

4.1.

Op grond van artikel 28a, eerste lid, van de Inkomstenregeling militairen (IRM) wordt onder reservist verstaan de bij het reservepersoneel aangestelde militair die op basis van specifieke deskundigheid in werkelijke dienst verblijft. Op grond van het derde lid van artikel 28a van het IRM kan aan de reservist die in werkelijke dienst verblijft door de commandant van het desbetreffende Operationeel Commando aanspraak worden verleend op een arbeidsmarkttoeslag.

4.2.

Het beleid dat de commandant hanteert bij het uitoefenen van de hem op grond van artikel 28a, derde lid, van het IRM toekomende bevoegdheid is neergelegd in de Nota Arbeidsmarkttoeslag van 24 februari 2012 en de uitwerking daarvan in de Nota Arbeidsmarkttoeslag van 14 december 2012.

4.3.

De commandant heeft in beroep uiteengezet dat appellant als RSD is ingedeeld bij de eenheid [onderdeel]. Reservisten met een andere primaire eenheid krijgen een ander label, bijvoorbeeld dat van reservist militaire taken of reservist operationele capaciteit. Naast de werkzaamheden voor zijn primaire eenheid kan een reservist worden opgeroepen voor werkzaamheden in het kader van een IIR of PIR. Op een uitvraag voor een IIR of PIR kan elke reservist reageren, ongeacht zijn label. In beginsel ontvangt de reservist voor deze werkzaamheden, die niet verbonden zijn aan zijn eigen functie, geen arbeidsmarkttoeslag.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant gedurende de verlenging van zijn PIR in 2018 terecht niet in aanmerking is gebracht voor een arbeidsmarkttoeslag. De uitvraag voor een reservist van begin 2017 was niet afkomstig van de primaire eenheid van appellant, het [onderdeel], maar van het LTC. Ook was de uitvraag niet specifiek gericht op een RSD, zodat iedere reservist, ongeacht zijn label, daarop kon reageren. De commandant heeft zich in overeenstemming met het door hem gevoerde beleid terecht op het standpunt gesteld dat aan appellant slechts een arbeidsmarkttoeslag kan worden toegekend wanneer hij wordt opgeroepen in werkelijke dienst voor werkzaamheden waarbij gebruik wordt gemaakt van de specifieke civiele deskundigheid waarvoor hij is aangenomen binnen zijn eenheid. Nu appellant is opgeroepen voor een PIR waarvoor deze specifieke civiele deskundigheid niet is vereist, komt hij niet in aanmerking voor toekenning van een arbeidsmarkttoeslag. In overeenstemming hiermee is in de uitvraag uitdrukkelijk vermeld dat voor deze IIR geen arbeidsmarkttoelage geldt. Daar komt bij dat appellant heeft berust in het besluit van
18 april 2017, waarbij hij op basis van PIR in werkelijke dienst is opgeroepen voor werkzaamheden vanuit de functie [functie 2] LTC. Nu het bij de oproeping van
15 december 2017 om een verlenging van deze PIR gaat, had appellant gedurende deze verlenging evenmin aanspraak op een arbeidsmarkttoeslag.

4.5.1.

Appellant heeft verder een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waardoor de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

4.5.2.

Appellant is hierin niet geslaagd. Hoewel uit de verklaringen van de Chef Staf en de waarnemend Chef Staf van het LTC blijkt dat zij zich bereid hebben getoond om te voldoen aan de door appellant gestelde voorwaarde om tijdens de verlenging van zijn inzet wel een arbeidsmarkttoeslag te ontvangen, had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij aan de daardoor gewekte verwachtingen geen rechten kon ontlenen. De toekenning van deze toeslag zou een afwijking meebrengen van de voor de PIR geldende arbeidsvoorwaarden. Bovendien was het evident dat het Hoofd Korpsbureau Reservisten bevoegd was tot het toekennen van een arbeidsmarkttoeslag bij IIR dan wel PIR en niet de (waarnemend) Chef Staf van het LTC.

Urenaantal

4.6.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de stelling van appellant dat aan zijn inzet ten onrechte een maximum van 32 uur per week is verbonden, evenals de overwegingen waarop dit oordeel berust. Wat in 4.4 en 4.5.2 is overwogen geldt ook voor het aan de PIR verbonden maximum aantal uren. Wat appellant hierover heeft aangevoerd biedt onvoldoende grond voor zijn stelling dat dit maximum in zijn geval niet geldt.

4.7.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) P.W.J. Hospel