Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
19/1221 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geen WIA-uitkering toegekend. Geen sprake van een toename van beperkingen. Zorgvuldig en volledig medisch onderzoek. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsartsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de rugklachten in 2018 voortkomen uit een andere oorzaak dan de medische klachten in 2014 omdat er destijds geen sprake was van rugklachten. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts overtuigend onderbouwd dat in vergelijking tot de beoordeling, die heeft geleid tot beëindiging van de WIA-uitkering per 8 april 2014, de beperkingen als gevolg van bij appellante bestaande psychische klachten niet zijn toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1221 WIA

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2019, 18/3544 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor 15 uur per week. Op 6 augustus 2007 heeft appellante zich ziek gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 17 februari 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 3 augustus 2009 een WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

1.2.

Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2014 vastgesteld dat appellante per 8 april 2014 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum minder dan 35% bedraagt. Het door appellante tegen dit besluit van 7 februari 2014 gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 september 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 1 december 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 februari 2016 heeft deze Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Appellante heeft bij brief van 15 januari 2018 gemeld dat haar gezondheid is verslechterd. Zij is onlangs geopereerd aan haar rug vanwege een spierverknelling waardoor zij geen benutbare mogelijkheden heeft. Appellante acht zich volledig arbeidsongeschiktheid en heeft verzocht haar een WIA-uitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.4.

Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsarts appellante gezien op het spreekuur van 26 februari 2018. In zijn rapport van 26 februari 2018 heeft de verzekeringsarts op basis van zijn onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat de klachten op grond waarvan appellante de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft gedaan, voortkomen uit een andere oorzaak dan die op grond waarvan zij eerder een WIA-uitkering heeft ontvangen. Bij appellante spelen nog altijd de eerder bekende psychische klachten. Hierin is geen sprake van een toename van beperkingen. Bij besluit van 28 februari 2018 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 11 januari 2018 geen WIA-uitkering kan krijgen omdat er andere gezondheidsklachten zijn dan tijdens de eerdere WIA-uitkering.

1.5.

Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 10 september 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 september 2018 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te hebben gevonden dat de de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen dan wel dat de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist zou zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de rugklachten op grond waarvan appellante een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft gedaan, niet bekend waren bij de eerdere beoordeling in 2014 en waarvoor destijds dan ook geen beperkingen zijn aangenomen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd uiteen gezet dat de psychische klachten van appellante, die in 2014 tot beperkingen hebben geleid, niet zijn toegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat, behoudens medicatiegebruik, de behandeling voor de psychische klachten al langere tijd is afgesloten. Er is sprake van een gelijkluidende klachtenpresentatie en bevindingen ten opzichte van de eerdere boordeling en dat past bij de gestelde diagnoses op psychisch vlak. Omdat er geen twijfel is aan de medische beoordeling, is de rechtbank niet overgegaan tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek zoals door appellante is verzocht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Niet alle medische klachten zijn meegewogen. De gezondheid van apelllante is verslechterd. Bij appellante is sprake van een ernstige psychische stoornis op grond waarvan zij disfunctioneert op persoonlijk en sociaal vlak doordat zij in een eigen belevingswereld leeft en angsten heeft. Hierdoor is zij niet in staat arbeid te verrichten. Appellante acht zich volledig arbeidsongeschikt en op korte termijn is er een geringe kans op herstel. Appellante heeft verzocht om een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt wordt, als hij op de dag hieraan voorafgaand een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA‑uitkering.

4.2.

Naar aanleiding van de in geding zijnde melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid moet voor de toepassing van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA worden bezien of binnen vijf jaar na de datum van weigering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering de medische beperkingen zijn toegenomen. Vervolgens moet worden beoordeeld of deze toename voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de WIA-uitkering is geweigerd.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is goeddeels een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep tegen de medische grondslag van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er een zorgvuldig en volledig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat de verzekeringsarts van het Uwv appellante tijdens zijn spreekuur heeft onderzocht en de klachten en de ervaren belemmeringen uitgevraagd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante tijdens de hoorzitting gesproken en dossieronderzoek verricht. Uit hun rapporten blijkt dat zij alle in het dossier aanwezige informatie over de psychische en rugklachten hebben meegewogen in hun beoordeling.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts van 26 februari 2018 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

5 september 2018 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de rugklachten in 2018 voortkomen uit een andere oorzaak dan de medische klachten in 2014 omdat er destijds geen sprake was van rugklachten. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 5 september 2018 overtuigend onderbouwd dat in vergelijking tot de beoordeling, die heeft geleid tot beëindiging van de WIA-uitkering per 8 april 2014, de beperkingen als gevolg van bij appellante bestaande psychische klachten niet zijn toegenomen. Destijds zijn vanwege depressieve stoornis/dysthyme stoornis en persoonlijkheidsstoornis NAO beperkingen vastgesteld voor verminderde stressbelastbaarheid en afgenomen emotionele belastbaarheid. Deze beperkingen zijn nog altijd passend omdat de verzekeringsartsen naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid, een gelijkend klachtenbeeld hebben geconstateerd als destijds aan de orde was. Appellante heeft haar standpunt dat er toegenomen psychische beperkingen zijn noch in beroep noch in hoger beroep met medische gegevens onderbouwd. Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv ontbreekt, bestaat geen aanleiding een deskundige te benoemen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.M.M Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.M.M. Chevalier