Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
18/5148 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft in grote lijnen herhaald hetgeen zij reeds eerder bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De klachten van appellante waren bij de verzekeringsartsen bekend en zijn meegewogen bij de beoordeling. Het standpunt van appellante dat de rechtbank bij haar oordeel heeft gewezen op de in haar ogen bijzondere status van een verzekeringsgeneeskundig rapport en niet heeft getoetst aan het beginsel van equality of arms is gebaseerd op een onjuiste lezing van hetgeen de rechtbank heeft overwogen en treft reeds daarom geen doel. Zoals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 januari 2018 uiteen is gezet is appellante, met haar klachten en beperkingen, in staat om op 15 november 2017 de maatgevende arbeid te verrichten. Met alle geobjectiveerde klachten is op overtuigende wijze rekening gehouden. Nadere gegevens over onderzoeken die zijn gedaan om duidelijkheid te krijgen over de oorzaak van haar medische klachten heeft appellante niet overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5148 ZW

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 augustus 2018, 18/559 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.E. Fleurkens, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als algemeen medewerker in een hotel/restaurant voor 20 uur per week. Zij heeft zich op 1 september 2012 voor dat werk ziek gemeld. Na afloop van de zogeheten wachttijd heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per die datum geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten. Appellante is met haar beperkingen in staat geacht om functies als wikkelaar, samenstellersteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), productiemedewerker (samensteller van producten) (sbc-code 111180) en magazijnmedewerker (sbc-code 315020) te vervullen.

1.2.

Na eerdere ziekmeldingen die overigens niet tot het toekennen van een uitkering hebben geleid, heeft appellante zich op 5 oktober 2017 opnieuw ziek gemeld. Appellante heeft op 14 november 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante met ingang van 15 november 2017 geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid, te weten de voor appellante eerder geselecteerde functies. Bij besluit van 14 november 2017 heeft het Uwv beslist dat appellante vanaf 15 november 2017 niet meer arbeidsongeschikt is in de zin van de Ziektewet (ZW). Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar tegen gemaakt en informatie van de behandelende sector ingebracht. Bij besluit van 30 januari 2018 is het bezwaar ongegrond verklaard (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 januari 2018 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medische onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben alle beschikbare informatie meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat appellante geschikt is om haar arbeid te verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. Appellante heeft geen nieuwe medische gegevens ingebracht noch een deugdelijke onderbouwing van haar standpunt gegeven dat zij op de datum in geding van 15 november1 2017 meer beperkt moet worden geacht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat haar klachten en beperkingen onjuist zijn ingeschat. Appellante heeft naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een rapport van een verzekeringsarts een bijzondere status heeft, terwijl zij had moeten beoordelen of sprake was van equality of arms.

3.2.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Appellante heeft in grote lijnen herhaald hetgeen zij reeds eerder bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De klachten van appellante waren bij de verzekeringsartsen bekend en zijn meegewogen bij de beoordeling. Het standpunt van appellante dat de rechtbank bij haar oordeel heeft gewezen op de in haar ogen bijzondere status van een verzekeringsgeneeskundig rapport en niet heeft getoetst aan het beginsel van equality of arms is gebaseerd op een onjuiste lezing van hetgeen de rechtbank heeft overwogen en treft reeds daarom geen doel.

4.3.

Zoals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 januari 2018 uiteen is gezet is appellante, met haar klachten en beperkingen, in staat om op 15 november 2017 de maatgevende arbeid te verrichten. Met alle geobjectiveerde klachten is op overtuigende wijze rekening gehouden. Nadere gegevens over onderzoeken die zijn gedaan om duidelijkheid te krijgen over de oorzaak van haar medische klachten heeft appellante niet overgelegd.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestig de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.L. Rijnen