Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1833

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
18/2385 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsing aan arrest Korošec. Voldoende zorgvuldig onderzoek. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dat punt. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. De overige aangevoerde gronden over de medische beoordeling vormen een herhaling van de gronden die appellante reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak uitvoerig besproken en geoordeeld dat deze geen aanleiding geven om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Anders dan appellante heeft betoogd, kan aan het verschil tussen het oordeel van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts niet de waarde worden toegekend die appellante daaraan toegekend wil zien. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/183
USZ 2020/243 met annotatie van Bogaard, E. van den
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2385 WIA

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
20 maart 2018, 17/3848 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[derde belanghebbende] te [woonplaats 2] (derde belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R. Rengers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was voor het laatst werkzaam als haarstylist voor 25,29 uur per week. Met ingang van 18 april 2014 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke pijnklachten en vermoeidheid.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag van appellante om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv onderzoek verricht. Deze arts heeft in zijn rapport van 31 maart 2016, aangevuld op

15 februari 2017, uiteengezet dat bij specialistisch onderzoek geen duidelijke objectieve verklarende afwijkingen gevonden werden voor de klachten van appellante. Aan de klachten zijn diagnoses Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en fibromyalgie toegekend. Hij is het niet eens met de visie van de bedrijfsarts dat er een situatie van geen benutbare mogelijkheden zou zijn omdat de bedrijfsarts is uitgegaan van de subjectieve klachtenbeleving van appellante. Volgens de verzekeringsarts is met mate belasten en opbouwen voor verder herstel gewenst, ook al sluit dat niet goed aan bij de klachtenbeleving van appellante. De verzekeringsarts heeft vermeld dat ook in de beschikbare informatie van de revalidatiearts melding wordt gemaakt dat opbouw van activiteiten plaatsvindt. Op grond van de diagnoses, anamnese en functionele bevindingen heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 februari 2017. Hij heeft daarbij op basis van energetische beperking een urenbeperking tot 30 uur per week gehanteerd. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens vastgesteld dat appellante niet geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 17 maart 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellante ̶ na verlengde loondoorbetaling ̶ met ingang van 14 april 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid 0% is.

1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 17 maart 2017 bezwaar gemaakt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de medisch grondslag helder: fibromyalgiesyndroom en CVS, met klachten zonder een verklarend anatomisch substraat. Weliswaar stelt de reumatoloog in zijn brief van 6 juni 2017 ook nog een hypermobiliteitssyndroom vast, maar dit leidt niet tot belemmeringen in functioneren. Voor verdergaande beperkingen dan door de verzekeringsarts is vastgesteld is alleen de klachtenbeleving van appellante onvoldoende. Bij de WIA gaat het om de objectieve, rechtstreeks vaststelbare gevolgen van ziekte of gebrek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 juni 2017 geconcludeerd dat de beoordeling door de verzekeringsarts geheel in lijn is met de vigerende aanwijzingen van het Uwv over CVS en ME en niet strijdig is met de STECR-richtlijn voor fibromyalgie (STECR-richtlijn). Onder verwijzing naar dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2017 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. Ook is de medische belastbaarheid van appellante op de datum in geding in de verzekeringsgeneeskundige rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. Dat sprake zou moeten zijn van zwaardere of meer beperkingen dan al opgenomen in de FML van 15 februari 2017 wordt niet onderbouwd door de medische informatie.

2.2.

De STECR-richtlijn waar appellante zich op beroept, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Deze richtlijn, die zich richt tot bedrijfsartsen, bevat weliswaar een beschrijving van onder meer de diagnose, behandelingsmogelijkheden, diagnostiek, arbeids en functionele mogelijkheden, maar zegt niets over de specifieke beperkingen die voor appellante gelden. In de richtlijn staat ook dat er geen objectief en betrouwbaar meetsysteem beschikbaar is om de beperkingen bij de diagnose als waar het hier om gaat, vast te stellen. Dat dit betekent dat in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als hier aan de orde, geheel moet worden afgegaan op de anamnese, volgt de rechtbank niet.

2.3.

Het verzoek van appellante om benoeming van een onafhankelijke verzekeringsarts met een beroep op het arrest Korošec heeft de rechtbank afgewezen.

2.4.

De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de voor appellante vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 15 februari 2017, niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, het standpunt gehandhaafd dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan de STECR-richtlijn en dat voor de pijn bij fibromyalgie de anamnese leidend moet zijn. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom deze richtlijn niet gevolgd hoeft te worden. Waar voorts de bedrijfsartsen tijdens de re-integratie stellen dat geen sprake is van benutbare mogelijkheden, is onvoldoende gemotiveerd dat de verzekeringsartsen van het Uwv concluderen dat appellante voor 6 uur per dag belastbaar is. In dat verband heeft appellante erop gewezen dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) in zijn brief van 20 december 2018 aan de Tweede Kamer heeft geschreven dat hij er voor wil zorgen dat het medisch advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer bij de toets op re-integratie-inspanningen (RIV-toets) niet herroepen kan worden door het Uwv. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek een deskundige te benoemen met beroep op het arrest Korošec heeft afgewezen. Zij is niet in staat een eigen deskundige te bekostigen en heeft diverse stukken overgelegd waaruit het gebrek aan financiële middelen volgt.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 14 april 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv voldoende beperkingen heeft aangenomen.

4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellante op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen over de in die uitspraak onderscheiden stappen, namelijk allereerst de beoordeling of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is geweest van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dat punt. Voorts wordt nog opgemerkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 juni 2017 de in bezwaar overgelegde medische informatie van de revalidatiearts van 6 juni 2017 en het beroep op de STECR‑richtlijn bij zijn beoordeling van de belastbaarheid van appellante ten tijde in geding heeft betrokken.

4.5.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Vastgesteld wordt dat het dossier naast rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv ook informatie bevat van de (gewezen) behandelaars van appellante (internist, revalidatiearts, reumatoloog, fysiotherapeut, GZ-psycholoog, psychiater) en van haar huisarts, waarin onderzoeksbevindingen zijn opgenomen alsmede het beloop van klachten en behandelingen. Al deze stukken bevatten relevante informatie over de klachten van appellante omstreeks de datum in geding. Niet kan worden gezegd dat deze stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling door het Uwv. Ook is niet aannemelijk dat medische informatie heeft ontbroken waardoor de rechter geen goed beeld van de beperkingen van appellante heeft kunnen krijgen. Nu geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms, kan in navolging van de uitspraak van de Raad van 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3457, waarnaar ook de rechtbank heeft gewezen, het door appellante gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten.

4.6.1.

De overige aangevoerde gronden over de medische beoordeling vormen een herhaling van de gronden die appellante reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak uitvoerig besproken en geoordeeld dat deze geen aanleiding geven om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

4.6.2.

De STECR-richtlijn betreft een algemene richtlijn, die kennelijk is gericht tot bedrijfsartsen of andere personen die beroepsmatig betrokken kunnen zijn bij de arbeidsparticipatie of re-integratie van (voormalige) werknemers met fibromyalgieklachten. De richtlijn bevat algemene informatie, die niet bepalend is voor vaststelling van de specifieke beperkingen die voor appellante gelden. Onder 2.2 Functionele mogelijkheden wordt meegedeeld: “Er is geen objectief en betrouwbaar meetsysteem beschikbaar om de beperkingen bij fibromyalgie vast te stellen. Dat betekent dat moet worden afgegaan op de anamnese”. Nog daargelaten de vraag welke betekenis aan de STECR-richtlijn moet toekomen voor de vaststelling van de functionele mogelijkheden in het kader van de Wet WIA, laat deze mededeling onder 2.2 in de STECR-richtlijn over de anamnese onverlet dat een verzekeringsarts op basis van eigen onderzoeksbevindingen, verkregen door anamnese, lichamelijk onderzoek en overige voorhanden zijnde gegevens zoals informatie van behandelaars, huisarts en bedrijfsarts, de arbeidsbeperkingen moet vaststellen. Het is dus niet zo dat, anders dan appellante aanvoert, in haar geval op grond van alleen de anamnese zonder nadere onderbouwing meer beperkingen aangewezen zijn. Het is vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:459, dat bij het vaststellen van beperkingen niet de subjectieve, persoonlijke klachtbeleving bepalend is maar dat wat objectief medisch is vast te stellen. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen.

4.6.3.

Voor het verschil tussen het oordeel van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) is het volgende van belang. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraken van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039 en

27 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2949, kan er niet aan voorbij worden gegaan dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen en dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Ook het voornemen van de Minister van SoZaWe om per 2021 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer bij de RIV-toets leidend te maken, betreft het kader van de beoordeling door het Uwv van de re-integratieactiviteiten van de werkgever na twee jaar ziekte van de werknemer. Dit voornemen heeft een ander doel dan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Gelet hierop kan, anders dan appellante heeft betoogd, aan het verschil tussen het oordeel van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts niet de waarde worden toegekend die appellante daaraan toegekend wil zien.

4.6.4.

Het verzoek om inschakeling van een deskundige dient te worden afgewezen, nu er geen reden is voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen.

4.7.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) L.E. König