Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
19/1215 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in wezen grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat appellante heeft aangevoerd in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom dit niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Hieraan wordt toegevoegd dat de mogelijke onbekendheid met de zogeheten 1-februari-regeling voor rekening en risico van appellante komt en dus niet leidt tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/1215 WSF

Datum uitspraak: 12 augustus 2020


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2019, 18/5566 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 2009 begonnen met een MBO-opleiding instructeur paardensport op niveau 3. Zij heeft voor deze opleiding studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 aangevraagd (Wsf 2000), die haar is toegekend in de vorm van een prestatiebeurs.

1.2.

Tijdens de opleiding is appellante overgestapt naar een MBO-opleiding paardenverzorging op niveau 2 bij hetzelfde opleidingsinstituut. Haar studiefinanciering is toen, in dezelfde vorm, gecontinueerd. Van deze opleiding heeft appellante in juni 2012 een diploma behaald.

1.3.

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2014 maandelijks een bedrag van € 103,73 op haar studieschuld moet aflossen. Daarbij is een totaal schuldbedrag van € 16.640,81 vermeld.

1.4.

Appellante heeft tegen dit besluit op 9 maart 2013 bezwaar gemaakt. Zij heeft aangevoerd dat haar schuld lager zou moeten zijn dan is vermeld. De minister heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 6 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard. De hoogte van de schuld zoals die in dit besluit is opgenomen, kan niet worden aangevochten omdat het besluit van 6 februari 2013 op dit punt geen wijziging in rechtsgevolgen beoogde. Bij brief van eveneens 6 mei 2013 heeft de minister aan appellante uitgelegd hoe haar studieschuld is ontstaan.

1.5.

Bij brief van 5 januari 2018 heeft appellante de minister verzocht om haar studieschuld kwijt te schelden dan wel om te zetten in een gift omdat zij een diploma heeft behaald.

1.6.

Bij besluit van 13 april 2018 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Kwijtschelding is, gelet op het stringente beleid, niet mogelijk en omzetting is niet mogelijk omdat het diploma is behaald met een opleiding die niet het vereiste niveau heeft.

1.7.

Bij besluit van 14 juli 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 april 2018 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de bijzondere omstandigheden van tijdelijke en structurele aard zoals vermeld in artikel 4.14 van de Wsf 2000 niet exact in de wettekst te omschrijven. Wel zijn in de parlementaire geschiedenis een aantal voorbeelden aangegeven wat ermee wordt bedoeld, bijvoorbeeld in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 1999/00, 26 873, nr. 8, p. 42). Ook in de Memorie van toelichting (Kamerstukken II 1999/00, 26 873, nr. 3, p. 59) heeft de minister voorbeelden gegeven van wat in zijn ogen voorbeelden zijn van bijzondere omstandigheden. Het niet over de capaciteiten beschikken om de studie op het niveau af te ronden waarop zij is gestart, is, mede gelet op de genoemde kamerstukken, geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4.14 van de Wsf 2000. Dat de situatie voor appellante onrechtvaardig aanvoelt en buiten haar schuld is ontstaan doet aan voorgaand oordeel niet af. Dat haar prestatiebeurs wel was omgezet in een gift indien appellante bij aanvang van haar opleiding direct niveau 2 had gevolgd, is ter beoordeling van de vraag of bij het afsluiten van een opleiding die is gestart op niveau 3 maar afgesloten met een diploma op niveau 2, niet relevant. De wettelijke regeling biedt geen mogelijkheden om in een dergelijk geval de prestatiebeurs om te zetten in een gift.

3. Appellante heeft in hoger beroep de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald, zij het in enigszins andere bewoordingen. Verder heeft zij aangegeven niet bekend te zijn geweest met de zogeheten 1-februari-regeling, waarop de minister in verweer bij de rechtbank heeft gewezen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in wezen grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat appellante heeft aangevoerd in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom dit niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid.

4.2.

Hieraan wordt toegevoegd dat de mogelijke onbekendheid met de zogeheten 1-februari-regeling voor rekening en risico van appellante komt en dus niet leidt tot een ander oordeel.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) I.A. Siskina