Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
19/1239 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:814, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht de mate van arbeidsongeschiktheid herzien naar 45 tot 55%. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. Afdoende de passendheid van de geselecteerde functies toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1239 WAO

Datum uitspraak: 11 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 februari 2019, 18/2680 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bloem, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft als verpleegkundige gewerkt. Na uitval uit die werkzaamheden is zij met ingang van 12 december 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

1.2.

Appellante heeft weer gewerkt als verpleegkundige en verpleegkundige verslavingszorg. Zij heeft zich met ingang van 31 augustus 2015 ziek gemeld met rugklachten, psychische klachten en klachten als gevolg van gordelroos. Bij medisch en arbeidskundig onderzoek is geconcludeerd dat appellante met haar beperkingen geschikt is voor door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 13 november 2017 de WAO-uitkering van appellante herzien en deze met ingang van

30 augustus 2017 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 25 april 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 november 2017 ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek als zorgvuldig geoordeeld en heeft in hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd geen reden gezien het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voor onjuist te houden. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 13 april 2018 en 23 oktober 2018 inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Dat appellante bedlegerig zou zijn en voor haar verzorging volledig afhankelijk van derden in het dagelijks leven, is niet met stukken onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische gegevens over appellante in het rapport van 23 oktober 2018 inzichtelijk uiteengezet. De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond daarvan en het gegeven dat aan appellante inmiddels een persoonsgebonden budget is verstrekt, niet kan worden geconcludeerd dat appellante in het dagelijks leven niet zelfredzaam is. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen van appellante. De mate van klachten zoals appellante die ervaart worden niet volledig verklaard op basis van de medisch objectiveerbare afwijkingen. Er is met inachtneming van de informatie van de psychiater van 6 januari 2017 voldoende rekening gehouden met de psychische beperkingen van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op het door appellante ingezonden rapport van arbeidsdeskundige F. van Kempen van 3 september 2018, met verwijzing naar de informatie van de orthopedisch chirurg van 22 november 2017, voldoende gemotiveerd dat appellante in staat was om het hoofd normaal te bewegen in alle richtingen. Gelet op de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de mogelijkheid die appellante had om de bevindingen van de verzekeringsartsen te betwisten - van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt - heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen, zoals door appellante was verzocht. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 30 oktober 2018 inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de belastende factoren van de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante blijven en het verlies aan verdienvermogen juist is vastgesteld.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft. Zij heeft geen benutbare mogelijkheden omdat zij, overeenkomstig artikel 2, vijfde lid aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) in het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat zij lichamelijk niet zelfredzaam is. Zij heeft daarbij opnieuw verwezen naar een FML van de bedrijfsarts van 16 juni 2017 en de ondersteuning die zij drie uren per dag ontvangt en heeft informatie van de huisarts van 18 december 2018 ingezonden. Appellante heeft haar verzoek om een deskundige in te schakelen herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO van appellante per 30 augustus 2017 heeft onderschat, door haar per die datum in te delen in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.

4.2.

Er is geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische beperkingen van appellante onjuist te achten. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, alle klachten van appellante in de beoordeling heeft betrokken en in de medische informatie die appellante heeft ingezonden geen aanleiding heeft gezien de vastgestelde beperkingen onjuist te achten. De Raad verwijst naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de door appellante ingezonden, aanvullende informatie in een rapport van 8 mei 2020 afdoende toegelicht dat die informatie geen aanleiding geeft tot wijziging van het ingenomen standpunt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er met juistheid op gewezen dat de FML van de bedrijfsarts geen onderbouwing van de gegeven beperkingen bevat. De zorgindicatie betreft een datum na de datum in geding en is gebaseerd op anamnestische gegevens die de verpleegkundige verkreeg zonder een lichamelijk onderzoek en zonder informatie van de curatieve sector en de beoordeling betreft een ander kader. Over de informatie van de huisarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat het journaal start met een datum die gelegen is na de datum in geding en dat de beschreven problematiek bij de verzekeringsartsen bekend was, zoals uit de rapporten blijkt. Met die toelichting kan worden ingestemd. Hieruit vloeit tevens voort dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit zich niet voordoet. Gelet op dit oordeel is er geen aanleiding een deskundige in te schakelen, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

4.3.

De rechtbank wordt eveneens gevolgd in het oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende de passendheid van de voor appellante geselecteerde functies heeft toegelicht en het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 augustus 2017 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) A.L. Abdoellakhan