Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
18/4498 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om kwijtschelding van schuld terecht afgewezen. Niet voldaan aan de vereisten, neergelegd in artikel 57, lid 3, in combinatie met het lid 4, WAO. Het Uwv was daarom ten tijde van het bestreden besluit niet bevoegd van verdere terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering af te zien. Ook niet voldaan aan de vereisten van de Beleidsregel. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4498 WAO

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 juli 2018, 17/6378 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft aan appellante per 7 augustus 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 24 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante in de periode van 7 augustus 2002 tot en met 30 november 2011 geen recht had op een WAO-uitkering, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het Uwv een bedrag van € 109.282,92 aan over de periode van 7 augustus 2002 tot en met 30 november 2011 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 23 april 2012 heeft het Uwv een bedrag van € 1.036,- aan onverschuldigd betaalde tegemoetkoming arbeidsongeschikten op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten van appellante teruggevorderd. Het bezwaar van appellante tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 25 juli 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv onder meer vastgesteld dat appellante de informatieplicht, neergelegd in artikel 80 van de WAO, niet of niet behoorlijk is nagekomen. Appellante heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 25 juli 2012.

1.2.

Bij brief van 16 augustus 2017 heeft appellante het Uwv verzocht om kwijtschelding van haar schuld. Bij besluit van 6 september 2017 heeft het Uwv het verzoek om kwijtschelding afgewezen, omdat appellante niet in aanmerking komt voor kwijtschelding. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 november 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding zoals opgenomen in de Beleidsregel terug- en invordering. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de weigering om kwijt te schelden onevenredig zou zijn. Dat appellante gelet op haar leeftijd en de hoogte van de openstaande vordering er waarschijnlijk niet in zal slagen om de helft van de openstaande schuld te voldoen, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Raad van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3882). Uit die uitspraak blijkt dat er naast die omstandigheden nog sprake moet zijn van andere, bijzondere omstandigheden, die in combinatie noodzaken tot toewijzing van een kwijtscheldingsverzoek. Naast haar leeftijd en de ontbrekende betalingscapaciteit heeft appellante geen andere, bijzondere omstandigheden aangevoerd. Dat appellante de afgelopen jaren aan haar aflossingsverplichtingen heeft voldaan, is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. In dat geval heeft zij niet meer gedaan dan het naleven van de op haar rustende verplichtingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante de stelling dat een medewerker van het Uwv haar heeft meegedeeld dat zij niet langer dan vijf jaar hoefde af te betalen niet aannemelijk gemaakt.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij in aanmerking dient te komen voor kwijtschelding van haar schuld nu zij gedurende ruim vijf jaar op haar schuld heeft afgelost. Zij beroept zich daarvoor op het zorgvuldigheids-, vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel. Appellante leeft al lange tijd onder het minimumniveau en het is niet meer redelijk om geld van appellante terug te vorderen. Een medewerker van het Uwv heeft volgens appellante aangegeven dat zij na vijf jaar in aanmerking zou komen voor kwijtschelding op basis van het beleid dat het Uwv hanteert. Volgens appellante is het niet evenredig dat de helft van de vordering moet zijn betaald, wil appellante in aanmerking komen voor kwijtschelding. Appellante zou dan, bij een gelijke betalingsregeling, pas na 98 jaar in aanmerking komen voor kwijtschelding. Volgens appellante is er sprake van een dringende reden om af te zien van terugvordering.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 57 van de WAO luidde, zover in dit geding van belang, als volgt:

“De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

(…)

3.In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

4. De in het derde lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.”

4.1.2.

Ingevolge het bepaalde onder 4.1.2 van de bijlage van de Beleidsregel terug- en invordering (Beleidsregel), voor zover hier van belang, beoordeelt het Lisv (thans: Uwv) bij vorderingen die het gevolg zijn van overtreding van de inlichtingenplicht ambtshalve of van verdere terugvordering wordt afgezien, nadat de schuldenaar:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

en

b. tenminste de helft van de vordering is voldaan.

4.2.

Appellante voldoet niet aan de vereisten, neergelegd in artikel 57, derde lid, in combinatie met het vierde lid, van de WAO. Het Uwv was daarom ten tijde van het bestreden besluit niet bevoegd van verdere terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering af te zien.

4.3.

Nu de Beleidsregel een kortere termijn bevat dan artikel 57 van de WAO, namelijk vijf jaar bij overtreding van de inlichtingenplicht, is sprake van een buitenwettelijk begunstigend beleid. Niet in geschil is dat appellante ook niet voldoet aan de vereisten van de Beleidsregel zoals weergegeven onder 4.1.2.

4.4.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld ligt de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb echter niet voor. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Raad van 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2458) wordt bij een buitenwettelijk begunstigend beleid uitsluitend getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Er wordt geen oordeel gegeven over de vraag of het buitenwettelijk begunstigend beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of dat het beleid (kennelijk) onredelijk is, dan wel of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Awb op grond waarvan van dat beleid moet worden afweken. Dit lag anders in de uitspraak van de Raad van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3882), waarnaar de rechtbank heeft verwezen, nu in die zaak de termijnen van de Beleidsregel overeenkwamen met de wettelijke termijnen die op de datum van dat geding van toepassing waren, zodat geen sprake was van een buitenwettelijk begunstigend beleid. De gronden die appellante heeft aangevoerd over de onredelijkheid van de toepassing van de Beleidsregel in haar geval zullen dan ook onbesproken blijven.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv had moeten afzien van verdere terugvordering wegens de aanwezigheid van dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 36, zesde lid, van de WAO. Deze grond treft geen doel. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1891) slechts een rol spelen bij de initiële vaststelling van de omvang van de terugvordering.

4.6.

Appellante heeft haar stelling, dat een medewerker van het Uwv heeft aangegeven dat zij na vijf jaar in aanmerking zou komen voor kwijtschelding op basis van het beleid, niet nader onderbouwd. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt alleen al daarom niet.

4.7.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van de gronden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2020.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) D.S. Barthel