Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
18/3874 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter zitting heeft appellante haar beroep op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid niet gehandhaafd. Appellante heeft te kennen gegeven dat het hoger beroep betrekking heeft op haar verzoek om terug te komen van het besluit van 8 oktober 2015 en daarnaast op herziening van dit besluit voor de toekomst (duuraanspraak). Omdat het rapport van MEE van 27 januari 2017 is en dateert van na de eerdere besluitvorming, is dit rapport anders dan de rechtbank heeft overwogen - reeds daarom in zoverre een nieuw feit. De rechtbank heeft echter terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het rapport geen aanleiding geeft die eerdere beoordeling voor onjuist te houden en het oorspronkelijke besluit te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er op gewezen dat aan het rapport geen uitgebreid diagnostisch psychologisch onderzoek ten grondslag ligt en dat het rapport van MEE op diverse belangrijke punten niet klopt, wat appellante ook niet heeft bestreden. Wat appellante in hoger beroep over haar werkverleden heeft gesteld, heeft zij niet met (objectief medische) stukken onderbouwd. In wat appellante heeft aangevoerd is daarnaast geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Wat betreft het verzoek om herziening van het besluit van 8 oktober 2015 voor de toekomst, geeft wat appellante heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat dit besluit onjuist was. Het bij de aanvraag gevoegde rapport van MEE biedt daarvoor geen aanknopingspunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3874 WAJONG

Datum uitspraak: 7 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

4 juni 2018, 17/6632 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Hagens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hagens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1987, heeft met een door het Uwv op 3 juni 2015 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 8 oktober 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante niet aan de voorwaarden voldoet. Bij besluit van 12 april 2016 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 8 oktober 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 februari 2017 heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard.

1.2.

Appellante heeft met een door het Uwv op 12 juni 2017 ontvangen formulier opnieuw een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Bij de aanvraag is een rapport gevoegd van 27 januari 2017 van een GZ-Psycholoog van MEE Gelderse Poort (rapport van MEE). Bij besluit van 15 juni 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen onder handhaving van het besluit van 8 oktober 2015.

1.3.

Bij besluit van 17 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 15 juni 2017 gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht en op juiste gronden heeft gesteld dat wat appellante heeft vermeld bij haar aanvraag en in bezwaar naar voren heeft gebracht, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die aanleiding geven het besluit van 8 oktober 2015 te herzien. De rechtbank heeft overwogen dat appellante al over het rapport van MEE beschikte voor de uitspraak van de rechtbank van 21 februari 2017, maar het toen niet opportuun achtte om het rapport in te brengen, omdat zij het niet eens was met een deel van de conclusies. Dit moet naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van appellante blijven. Over het verzoek om herziening van het besluit van 8 oktober 2015 voor de toekomst heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv gevolgd kan worden in zijn standpunt dat niet gebleken is dat het besluit van 8 oktober 2015 onjuist is. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat de epilepsieklachten en het beperkte IQ van appellante al bij de beoordeling in 2015 zijn betrokken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep over het rapport van MEE gesteld dat de beschrijving van het functioneren van appellante in dit rapport sterk afwijkt van haar bevindingen en van wat een verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2013 heeft beschreven. Het geconstateerde functioneren van appellante past niet bij het in het rapport van MEE vermelde IQ. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat appellante ook zelf te kennen heeft gegeven dat het niet klopt dat zij 24-uurs zorg nodig zou hebben, dat zij niets zou doen en geen enkele zelfredzaamheid zou hebben. De rechtbank heeft verder meegewogen dat appellante na haar achttiende verjaardag diverse werkgevers heeft gehad en dat niet is aangetoond dat appellante in dit werk niet goed heeft kunnen functioneren. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige in te schakelen en heeft geoordeeld dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het besluit van 8 oktober 2015. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat het Uwv de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar (‘Amber’) terecht niet van toepassing heeft geacht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het rapport van MEE een nieuw feit is op grond waarvan het Uwv terug zou moeten komen van het besluit van 8 oktober 2015 voor het verleden, dan wel voor de toekomst. Appellante heeft aangevoerd dat de tijd tussen het rapport van MEE van 27 januari 2017 en de zitting bij de rechtbank op 2 februari 2017 zeer kort was en dat zij dit rapport bovendien pas op 2 maart 2017 in handen heeft gekregen. Gelet op het procesreglement en omdat appellante het rapport op bepaalde punten wilde laten corrigeren, was indiening in die procedure volgens appellante geen reële optie. Volgens appellante blijkt uit het rapport dat zij een forse verstandelijke beperking heeft en forse beperkingen in het dagelijks functioneren. Appellante heeft gesteld dat zij weliswaar een intensief arbeidsverleden heeft, maar dat dit steeds kortdurende, relatief kort op elkaar volgende dienstverbanden zijn geweest die zij telkens door ziekte en haar beperkingen niet wist vol te houden. Appellante heeft haar verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen in hoger beroep herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ter zitting heeft appellante haar beroep op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid niet gehandhaafd. Appellante heeft te kennen gegeven dat het hoger beroep betrekking heeft op haar verzoek om terug te komen van het besluit van 8 oktober 2015 en daarnaast op herziening van dit besluit voor de toekomst (duuraanspraak).

4.2.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 8 oktober 2015 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 8 oktober 2015 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat nieuw gebleken feiten ook bewijsstukken zijn van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat het bij de aanvraag van appellante overgelegde rapport van MEE, van 27 januari 2017 is. Nu dit rapport dateert van na de eerdere besluitvorming, is dit rapport anders dan de rechtbank heeft overwogen - reeds daarom in zoverre een nieuw feit. Dat appellante dit rapport in de beroepsprocedure tegen de eerdere besluitvorming bij de rechtbank had kunnen inbrengen, doet daar niet aan af. De rechtbank heeft echter terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het rapport geen aanleiding geeft die eerdere beoordeling voor onjuist te houden en het oorspronkelijke besluit te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar en overtuigend gemotiveerd dat en waarom het rapport van MEE geen medische informatie bevat om dit te doen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er op gewezen dat aan het rapport geen uitgebreid diagnostisch psychologisch onderzoek ten grondslag ligt en dat het rapport van MEE op diverse belangrijke punten niet klopt, wat appellante ook niet heeft bestreden. Het in het rapport vermelde IQ is volgens de verzekeringsarts bezwaar niet conform een eerder IQ onderzoek in 1999 en bovendien niet in lijn met het functioneren van appellante bij eerder onderzoek in 2013 en tijdens de hoorzitting. Ook past dit lage IQ niet bij het niveau van de opleiding die appellante voltooid heeft (Zorg en Welzijn niveau 1), haar werkverleden en (de mate van) haar zelfredzaamheid. Wat appellante in hoger beroep over haar werkverleden heeft gesteld, heeft zij niet met (objectief medische) stukken onderbouwd. In wat appellante heeft aangevoerd is daarnaast geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.4.

Wat betreft het verzoek om herziening van het besluit van 8 oktober 2015 voor de toekomst, geeft wat appellante heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat dit besluit onjuist was. Het bij de aanvraag gevoegde rapport van MEE biedt daarvoor geen aanknopingspunten.

4.5.

Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van het standpunt van het Uwv, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige.

4.6.

De overwegingen in 4.1. tot en met 4.5. leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van

A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2020.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) A.L. Abdoellakhan