Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
19/2448 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsincident. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het dienstongeval dat betrokkene is overkomen dient te worden gekwalificeerd als een beroepsincident. Kniebreuk tijdens aanhouding. De door de korpschef voorgestane restrictieve uitleg van artikel 1, aanhef en onder pp, van het Barp leidt er in wezen toe dat een politieambtenaar slechts in uitzonderlijke en extreme situaties aanspraak kan maken op volledige vergoeding van de schade die hij lijdt ten gevolge van een dienstongeval. Een dergelijke uitleg verdraagt zich niet met tekst, doel en strekking van deze bepaling en kan daarom niet als juist worden aanvaard. Betrokkene heeft een zich hevig verzettende verdachte aangehouden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat deze situatie vergelijkbaar is met de voorbeelden van gevaarzettende situaties die zijn vermeld in de nota van toelichting bij de beroepsincidentenregeling van het Barp, in het bijzonder met de aldaar genoemde situatie van een arrestantenverzorger die een weerspannige arrestant onder controle moet houden. Dat het aanhouden van een zich verzettende verdachte behoort tot de normale werkzaamheden van een politieambtenaar, zoals de korpschef heeft aangevoerd, is niet van belang voor de beoordeling van de vraag of een dienstongeval moet worden aangemerkt als een beroepsincident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/364
PS-Updates.nl 2020-0760
TAR 2020/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2448 AW

Datum uitspraak: 6 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
30 april 2019, 18/359 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H. Oosting een verweerschrift ingediend.

De korpschef heeft desgevraagd toestemming verleend om zonder zitting uitspraak te doen. Van de gemachtigde van betrokkene is geen reactie ontvangen, waarna met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam in de functie van [functie] bij de eenheid [eenheid] , Basisteam [team] .

1.2.

Op 13 maart 2017 heeft betrokkene, tezamen met een collega, een verdachte in een woning aangehouden. De verdachte heeft zich bij de aanhouding hevig verzet. Om de verdachte enigszins onder controle te krijgen, werd hij door betrokkene op de grond gehouden en gefixeerd. Tijdens het naar de grond brengen van de verdachte kwam de wapenstok van betrokkene, die nog in de wapenstokzak zat, met grote kracht in de knieholte van betrokkene. Hierdoor heeft betrokkene een breuk in de knie opgelopen (het ongeval).
1.3. Bij besluit van 30 maart 2017 heeft de korpschef het ongeval als dienstongeval aangemerkt.

1.4.

Op 30 mei 2017 heeft betrokkene de korpschef verzocht het ongeval aan te merken als beroepsincident.

1.5.

Bij besluit van 21 september 2017 heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 31 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft de korpschef, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het ongeval wordt niet aangemerkt als een beroepsincident als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder pp, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Blijkens deze bepaling en blijkens de nota van toelichting (Stb. 2016, 489) is een beroepsincident een dienstongeval of beroepsziekte, dat voortvloeit uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de ambtenaar waarbij de ambtenaar handelend moet optreden terwijl anderen zich zouden mogen terugtrekken. Het is inherent aan de functie van betrokkene dat zij tijdens haar werkzaamheden betrokken raakt bij geweldsincidenten of andere ingrijpende gebeurtenissen. Bij de uitoefening van haar functie behoort ook het aanhouden van verdachten, waarbij deze verdachten (hevig) verzet kunnen plegen. Het ongeval heeft dan ook plaatsgevonden bij de uitoefening van haar normale werkzaamheden waarbij geen sprake was van een bijzonder gevaarlijke, risicovolle situatie. Voor dit standpunt vindt de korpschef steun in de uitspraak van de Raad van 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1809. Het letsel van betrokkene is niet rechtstreeks veroorzaakt door de verdachte, maar is ontstaan doordat de wapenstok ongelukkig in de knieholte van betrokkene is gekomen. Dit betekent dat wel sprake is van een dienstongeval, maar niet van een beroepsincident.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 21 september 2017 herroepen, het dienstongeval van 13 maart 2017 aangemerkt als een beroepsincident en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft daartoe, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

2.2.

Volgens de rechtbank is het aanhouden van een verdachte die zich tegen zijn aanhouding verzet vergelijkbaar met de vermelde voorbeelden van gevaarzettende situaties uit de nota van toelichting (Stb. 2016, 489). De restrictieve interpretatie van artikel 1, aanhef en onder pp, van het Barp, die de korpschef voorstaat, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wet en de daarop gegeven toelichting. Het betoog van de korpschef dat het aanhouden van een verzettende verdachte tot de normale werkzaamheden van betrokkene behoort, zodat het dienstongeval reeds daarom niet als beroepsincident kan worden aangemerkt, is niet gevolgd. Bij alle in de nota van toelichting genoemde voorbeelden van gevaarzettende situaties is naar het oordeel van de rechtbank sprake van normale werkzaamheden die tot de functie van de ambtenaar behoren. Ten slotte faalt ook de stelling van de korpschef dat het letsel niet rechtstreeks is veroorzaakt door de verdachte. Volgens de rechtbank kan het opgelopen letsel van betrokkene niet los worden gezien van de aanhouding van de weerspanninge verdachte.

3.
In hoger beroep heeft de korpschef, samengevat, het volgende aangevoerd. De korpschef stelt dat hem beoordelingsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gevaarzettende situatie. Hiertoe zijn toetsingscriteria ontwikkeld, vastgelegd in een werkinstructie, om te voorkomen dat in vergelijkbare zaken onaanvaardbare verschillen ontstaan. Aan de voorbeelden van een gevaarzettende situatie die zijn genoemd in de nota van toelichting bij de beroepsincidentenregeling in het Barp komt niet meer betekenis toe dan dat in die situaties sprake kán zijn van een beroepsincident. Het moet gaan om situaties die het dagelijks politiewerk overstijgen. Indien een ruimere uitleg bedoeld was, had in artikel 54b van het Barp volstaan kunnen worden met de eenvoudige bepaling dat elk dienstongeval tevens een beroepsincident betreft, behoudens de ongevallen tijdens dienstsport en andere oefensituaties. De korpschef heeft zich (mede) in het licht van de door hem aangelegde toetsingscriteria op het standpunt gesteld dat de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde niet zijn te kwalificeren als beroepsincident. Het is inherent aan haar functie dat zij tijdens haar werkzaamheden betrokken kan raken bij geweldsincidenten of andere ingrijpende gebeurtenissen. Uit de specifieke feiten en omstandigheden blijkt niet dat zij ten tijde van het ongeval te maken had met een gevaarzettende situatie. Om die reden is de korpschef van mening dat geen sprake is van een beroepsincident.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, van het Barp wordt onder dienstongeval verstaan: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

4.2.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2015-2017 is afgesproken dat in het Barp een voorziening voor volledige schadeloosstelling wordt opgenomen in verband met een beroepsincident. Hieronder wordt in dit verband verstaan een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van een taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken.

4.3.1.

Bij Besluit van 2 december 2016 tot wijziging van het Besluit bezoldiging politie en enkele andere rechtspositionele besluiten ter formalisering en uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2015–2017 inzake onder meer de beroepsincidentenregeling (Stb. 2016, 489) is het Barp gewijzigd.

4.3.2.

Voor zover hier van belang is in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder pp, van het Barp bepaald dat onder beroepsincident wordt verstaan: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de ambtenaar en waaraan hij zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken.

4.3.3.

Bij genoemde wijziging is voorts artikel 54b van het Barp ingevoegd, luidende als volgt:

“1. De ambtenaar heeft aanspraak op volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge van een beroepsincident lijdt, voor zover hierin op grond van de rechtspositie en andere uitkeringen niet reeds is voorzien.

2. […]

3. Het eerste lid is niet van toepassing op beroepsincidenten die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel.”

4.3.4.

De in 4.3.2 en 4.3.3 weergegeven wijzigingen zijn met ingang van 1 januari 2017 in werking getreden.

4.4.

In de nota van toelichting (Stb. 2016, 489, blz. 15-16) is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld. Doel van de beroepsincidentenregeling is dat de ambtenaar volledig schadeloos wordt gesteld in het geval van een beroepsincident. Een beroepsincident is een dienstongeval of beroepsziekte voortkomend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de ambtenaar waarbij de ambtenaar handelend moet optreden terwijl anderen zich zouden mogen terugtrekken. De ambtenaar krijgt daarom vooraf de garantie dat het bevoegd gezag de schade dekt, voor zover die schade het gevolg is van een beroepsincident. Bij gevaarzettende situaties kan bijvoorbeeld worden gedacht aan inzet van de ambtenaar (eventueel als lid van de mobiele eenheid) bij ernstige verstoring van de openbare orde, de motorrijder die bij het begeleiden van een konvooi het overige verkeer moet stilzetten en daarbij wordt aangereden, de arrestantenverzorger die een weerspannige arrestant onder controle moet brengen, of de ambtenaar die vanwege een dringende taak met hoge snelheid aan het verkeer deelneemt. Bij gewone verkeersdeelname, als onderdeel van de (uitoefening van) reguliere werkzaamheden, is geen sprake van een gevaarzettende situatie als bedoeld in dit artikel. Dit is in beginsel evenmin het geval als sprake is van een oefensituatie waarbij – anders dan in de echte werksituatie het geval is – waarborgen zijn gecreëerd om fysiek letsel (zoveel mogelijk) te voorkomen. Een dergelijke situatie kan op verzoek worden beëindigd en er is toezicht van een instructeur. Dat ongevallen in genoemde situaties eventueel als dienstongeval kunnen worden gekwalificeerd, maakt dit niet anders.

4.5.1.

De Raad stelt voorop dat aan de korpschef, anders dan deze veronderstelt, geen beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een ‘gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de ambtenaar en waaraan hij zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder pp, van het Barp. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.5.2.

Voor de bevoegdheid van de korpschef om artikel 54b, eerste lid, van het Barp toe te passen is vereist dat sprake is van een beroepsincident. Bij de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder pp, van het Barp neergelegde omschrijving van het begrip beroepsincident en in het bijzonder bij het onderdeel ‘gevaarzettende situatie’ van die omschrijving gaat het om een in de regeling opgenomen, objectief bedoelde norm. Dit brengt mee dat de Raad het standpunt van de korpschef dat geen sprake is van een beroepsincident vol dient te toetsen. In het kader van deze toetsing zal de Raad eerst de juistheid beoordelen van de uitleg die de korpschef blijkens de door hem gehanteerde uitgangspunten aan de term ‘gevaarzettende situatie’ heeft gegeven.

4.6.1.

De korpschef heeft in hoger beroep erop gewezen de volgende uitgangspunten te hanteren bij de beoordeling of in individuele gevallen sprake is van een beroepsincident:

“In beginsel wordt als bijzonder gevaarlijk aangemerkt, een situatie waarin:

• een medewerker er alleen voor staat en te maken heeft met een erg agressief persoon

die tevens onder invloed verkeert (drugs, drank) of ernstig verward is (psychose of iets

dergelijks), de verdachte is feitelijk niet meer aanspreekbaar;

• de verdachte een wapen heeft en dat wapen naar verwachting ook zal gebruiken;

• aan het verkeer wordt deelgenomen met een ontheffing; de verkeerssituatie en het

tijdstip van het ongeval is daarbij medebepalend;

• een verdachte niet zo zeer handelt met het oogmerk om aan de aanhouding te

ontkomen (losschudden, lostrekken, wegduwen e.d.) maar het handelen gericht is op

het toebrengen van ernstig letsel van de politiemedewerker;

• de politiemedewerker(s) in een numerieke minderheid verkeert en er sprake is van een

agressieve situatie (bijvoorbeeld de groep keert zich tegen de politie);

• gericht met zwaar vuurwerk naar een medewerker wordt gegooid;

• opzettelijk met een auto/motor op een medewerker wordt ingereden (het voertuig

wordt dan feitelijk als een wapen ingezet);

• de medewerker een brandend gebouw in moet;

• een agressieve grote hond (dus geen poedeltje of iets dergelijks) aanwezig is en de

hond dus feitelijk wordt gebruikt als wapen.

Bij de beoordeling moet verder worden gelet op:

- • de vraag of de situatie op voorhand bijzonder gevaarlijk is, dus niet alleen te wijten is

aan pure pech;

• het aantal politiemedewerkers ten opzichte van het aantal verdachten;

• de bewapening van zowel de politiemedewerker als de verdachte;

• de gemoedstoestand van de verdachte;

• de ruimte (of plaats) waar(in) het ongeval plaatsvindt;

• het oogmerk van de verdachte (wilde hij enkel vluchten of was zijn actie gericht op het

toebrengen van letsel);

• de feitelijke situatie van de verdachte (al dan niet geboeid of iets dergelijks)

Niet van belang is de ernst van het letsel.”

4.6.2.

De korpschef heeft het criterium van een ‘bijzonder gevaarlijke, risicovolle situatie’, waaraan moet worden voldaan om van een beroepsincident te kunnen spreken, ontleend aan de nota van toelichting bij de beroepsincidentenregeling in het ARAR. De nota van toelichting bij de beroepsincidentenregeling in het Barp noemt dit criterium echter niet en de in de nota van toelichting opgenomen voorbeelden bieden evenmin een aanknopingspunt voor de conclusie dat de regelgever van het Barp verder heeft willen gaan dan een gevaarlijke, risicovolle situatie. De door de korpschef voorgestane restrictieve uitleg van artikel 1, aanhef en onder pp, van het Barp, zoals die mede blijkt uit de onder 4.6.1 weergegeven uitgangspunten, leidt er in wezen toe dat een politieambtenaar slechts in uitzonderlijke en extreme situaties aanspraak kan maken op volledige vergoeding van de schade die hij lijdt ten gevolge van een dienstongeval. Een dergelijke uitleg verdraagt zich niet met tekst, doel en strekking van deze bepaling en kan daarom niet als juist worden aanvaard.

4.7.

Zoals onder 1.2 is vermeld, heeft betrokkene een zich hevig verzettende verdachte aangehouden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat deze situatie vergelijkbaar is met de voorbeelden van gevaarzettende situaties die zijn vermeld in de nota van toelichting bij de beroepsincidentenregeling van het Barp, in het bijzonder met de aldaar genoemde situatie van een arrestantenverzorger die een weerspannige arrestant onder controle moet houden. Dat het aanhouden van een zich verzettende verdachte behoort tot de normale werkzaamheden van een politieambtenaar, zoals de korpschef heeft aangevoerd, is, gelet op 4.6.2, niet van belang voor de beoordeling van de vraag of een dienstongeval moet worden aangemerkt als een beroepsincident.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het dienstongeval dat betrokkene op 13 maart 2017 is overkomen dient te worden gekwalificeerd als een beroepsincident. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 525,- (1 punt voor een verweerschrift) voor de verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 525,-;

- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 519,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C.H. Bangma en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2020.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) P.W.J. Hospel