Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1787

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
18/1868 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht WIA-uitkering beëindigd. Voldoende medische grondslag. Voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1868 WIA

Datum uitspraak: 6 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 februari 2018, 17/6570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.W. van Bohemen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker slagerij voor gemiddeld 8,15 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 7 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Deze uitkering is per 7 januari 2015 omgezet in een loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Bij besluit van 1 december 2016 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante niet

gewijzigd. Bij besluit van 31 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de voormalig werkgever van appellante tegen het besluit van 1 december 2016 gegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij beslist dat de WIA-uitkering per 13 oktober 2017 beëindigd wordt, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 18 mei 2017 en 30 augustus 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 27 juni 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante zowel lichamelijk als psychisch onderzocht, het dossier bestudeerd en gereageerd op de zienswijze van appellante. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor twijfel aan het medisch oordeel. De diagnose fibromyalgie op zich leidt niet tot het stellen van beperkingen. De overgelegde medische stukken geven evenmin aanleiding tot het stellen van meer beperkingen. De rechtbank heeft tenslotte geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Zij lijdt aan fibromyalgie en vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien de chronische aard van de ziekte en de toename van haar klachten, in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 mei 2017 meer beperkingen had moeten opnemen. Nu bij appellante sprake is van een medisch objectiveerbare verklaring voor de pijnklachten is het schrappen van een aantal beperkingen uit de FML niet te volgen.

3.2.

Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 januari 2020, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WIA-uitkering van appellante heeft beëindigd.

4.3.

Terecht heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen die de rechtbank daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd. Omdat appellante zich in essentie heeft beroepen op de in bezwaar en bij de rechtbank ingediende gronden en geen nieuwe medische informatie heeft ingediend ter onderbouwing van haar standpunt, wordt verwezen naar de overwegingen 6.3 en 7.2 van de aangevallen uitspraak. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 22 januari 2020 inzichtelijk verwoord waarom de doorgemaakte fractuur van de linker bovenarm per 13 oktober 2017 geen aanleiding is tot het opnemen van extra beperking(en) in de FML.

4.4.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2020 .

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.M.M. Chevalier