Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
03-02-2020
Zaaknummer
18-2357 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien bijstand in verband en toepassen kostendelersnorm inwonende zoon en vriendin zoon. De omstandigheid dat appellant geen recht meer had op huurtoeslag en huurtoeslag moest terugbetalen én kostendelersnorm is toegepast, leidt niet tot buitensporig zware last in de zin van artikel 1 EP. Geen aanleiding maatwerk te verlenen en/of bijstand af te stemmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2357 PW

Datum uitspraak: 28 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2018, 17/6497 PW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2019. Namens appellante is mr. Vreeswijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Haar zoon (A) woonde bij haar in huis. Diens vriendin (B), woonde vanaf mei 2016 ook bij haar in huis. A en B hebben [in] 2016 een kind gekregen. A had ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid. Op [datum in 1] 2017 is A 21 jaar geworden. Op [datum in 2] 2017 is B 21 jaar geworden. Doordat appellante het college had meegedeeld dat B studeerde, heeft het college B in eerste instantie niet vanaf 7 januari 2017 als kostendelende medebewoner van appellante in de zin van artikel 19a, eerste lid, van de PW aangemerkt.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 28 juni 2017 (besluit 1) met toepassing van de in artikel 22a van de PW opgenomen kostendelersnorm de hoogte van de bijstand van appellante met ingang van 22 juli 2017 herzien naar 50% van de gehuwdennorm. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat A op [datum in 1] 2017 de leeftijd van 21 jaar bereikt en vanaf die datum als kostendelende medebewoner in de zin van artikel 19a van de PW is aan te merken.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 27 juli 2017 (besluit 2) met toepassing van de kostendelersnorm de bijstand van appellante met ingang van 7 januari 2017 herzien naar 50% van de gehuwdennorm. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit nadere informatie is gebleken dat B op die datum niet meer studeerde en geen recht had op studiefinanciering, zodat zij met ingang van die datum alsnog als kostendelende medebewoner van appellante is aan te merken. Bij dit besluit heeft het college tevens gemeld dat de bijstand van appellante met ingang van 22 juli 2017 wordt herzien op de grond dat vanaf dat moment A en B beiden als kostendelende medebewoners van appellante zijn aan te merken. Die herziening betekende dat de hoogte van de bijstand werd vastgesteld op 43,3% van de gehuwdennorm.

1.4.

Het college heeft bij besluit van 31 juli 2017 (besluit 3) de over de periode van 7 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.616,41 netto van haar teruggevorderd.

1.5.

Het college heeft de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2017 opnieuw herzien en daarbij met toepassing van de kostendelersnorm de hoogte van de bijstand van appellante vastgesteld op 50% van de gehuwdennorm op de grond dat B vanaf die datum niet meer als kostendelende medebewoner is aan te merken omdat zij haar studie had hervat. Het college heeft op de bijstand van appellante met ingang van 6 december 2017 de kostendelersnorm niet meer toegepast op de grond dat A en B waren verhuisd naar een andere woning, zodat appellante geen kostendelende medebewoners meer had.

1.6.

Bij besluit van 26 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft primair aangevoerd dat het college ten onrechte de kostendelersnorm heeft toegepast en subsidiair dat het college maatwerk had moeten leveren bij de toepassing ervan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling staat de vraag of het college terecht en op goede gronden de bijstand van appellante met toepassing van de kostendelersnorm met ingang van 7 januari 2017 heeft vastgesteld op 50% van de gehuwdennorm en met ingang van 22 juli 2017 op 43,3% van de gehuwdennorm.

4.2.

In dit verband zijn de volgende bepalingen van betekenis.

4.2.1.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, van de PW, is op de belanghebbende van 21 jaar of ouder de kostendelersnorm van toepassing indien de belanghebbende één of meer kostendelende medebewoners heeft.

4.2.2.

Op grond van artikel 19a, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en die geen onderwijs volgt als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder d, van de PW.

4.3.

Vaststaat dat zowel A als B ten tijde hier van belang het hoofdverblijf had in de woning van appellante.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat toepassing van de kostendelersnorm in haar geval in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat toepassing van de kostendelersnorm in haar geval tot een onevenredige en buitensporig zware last leidde en daarom buiten toepassing had moeten blijven. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat de wetgever ervan is uitgegaan dat iemand in haar situatie een huurkostenvoordeel heeft door medebewoning, maar dat zij juist een huurkostennadeel had, doordat zij als gevolg van de inwoning van A geen recht meer had op huurtoeslag en de over 2017 verleende toeslag moest terugbetalen. Zij heeft betoogd dat de wetgever met dat dubbele nadeel geen rekening heeft gehouden bij de invoering van de kostendelersnorm. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.1.

Zoals de Raad vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1254) is bij de toepassing van de kostendelersnorm weliswaar sprake van inmenging in het eigendomsrecht, maar is deze inmenging bij wet voorzien en ligt daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag. Dit is hier niet in geschil. Om de vraag te beantwoorden of sprake is van een, voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht vereist, proportioneel middel, dan wel of toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, is een individuele beoordeling noodzakelijk.

4.4.2.

Die individuele beoordeling leidt, anders dan appellante heeft betoogd, niet tot de conclusie dat zij een onevenredige, dan wel buitensporig zware last had te dragen door de toepassing van de kostendelersnorm vanwege het feit dat zij ook al inkomsten moest missen door het wegvallen van de huurtoeslag. Aan de kostendelersnorm ligt de gedachte ten grondslag dat onder andere huurkosten kunnen worden gedeeld met de medebewoners. Daarbij blijft buiten beschouwing of en op welke wijze de medebewoners inkomsten hebben om die huurkosten mede te dragen. Appellante wordt dus geacht haar huurkosten te hebben kunnen delen, vanaf 7 januari 2017 met B en vanaf 22 juli 2017 mede met A. Doordat zij wordt geacht aldus niet de gehele huur alleen te hoeven bekostigen, staat de kostendelersnorm als middel in verhouding tot het daarmee te bereiken doel, te weten afstemming van de bijstandsnorm op de behoeften van de betrokkene.

4.4.3.

Dat appellante daarnaast een terugval in inkomsten had te verduren doordat zij geen recht meer had op huurtoeslag leidt, anders dan appellante heeft betoogd, niet tot de conclusie dat toepassing van de kostendelersnorm in haar geval leidde tot een buitensporig zware last. Het wegvallen van het recht op huurtoeslag staat hiervan immers los. Weliswaar was de intrekking van de huurtoeslag eveneens het gevolg van de inwoning van A, maar dit hield, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, verband met het feit dat A inkomsten had, zodat het totaal van de inkomsten van de bewoners van de woning waarvoor huurtoeslag werd verstrekt uitkwam boven de daarvoor geldende inkomensgrens. Anders dan appellante kennelijk meent, valt niet in te zien, waarom appellante alleen de gehele huur zou moeten voldoen en waarom A in het geheel niet, dan wel niet evenredig aan de omvang van zijn inkomsten, een bijdrage zou kunnen leveren aan de huurbetaling. Daarbij komt dat appellante haar financiële situatie op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de kostendelersnorm in de situatie van appellante in strijd is met artikel 1 van het EP.

4.4.4.

Met de rechtbank komt de Raad, gelet op 4.4.1 tot en met 4.4.3, tot het oordeel dat het college terecht geen grond heeft gezien om toepassing van de kostendelersnorm achterwege te laten wegens strijd met artikel 1 van het EP.

4.5.

Appellante heeft subsidiair aangevoerd dat het college bij het bestreden besluit maatwerk had moeten leveren in verband met de inwoning van B, omdat B in haar woning verbleef in het kader van een tijdelijke crisisopvang. Appellante heeft in dit verband gewezen op een op 4 maart 2016 in het Financieel Dagblad gepubliceerd artikel, waarin is vermeld dat de gemeente Amsterdam bij toepassing van de kostendelersnorm maatwerk levert in geval van crisisopvang. B was in mei 2016 in verwachting van het kind van A en was door huiselijk geweld het ouderlijk huis ontvlucht. Appellante heeft B onderdak geboden omdat zij nergens anders heen kon. Na de bevalling op 17 november 2016 meende appellante B niet op straat te kunnen zetten en is het A en B pas in december 2017 gelukt om andere woonruimte te vinden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.5.1.

Voor zover appellante met het beroep op maatwerk bedoelt, dat het college geheel of gedeeltelijk van toepassing van de kostendelersnorm had moeten afzien in verband met de inwoning van B, is van belang dat de artikelen 22a en 19a van de PW dwingendrechtelijk van aard zijn. Die bepalingen bieden ̶ behoudens de in artikel 19a vermelde situaties, die hier niet van toepassing zijn, ̶ geen ruimte voor afwijking dan wel buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. De PW biedt dan ook geen grondslag voor gehele of gedeeltelijke afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onredelijke uitkomst of een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien heeft de wetgever bij de invoering van de kostendelersnorm nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met medebewoners los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.5.2.

Voor zover appellante met het beroep op maatwerk bedoelt dat het college de bijstand had moeten afstemmen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW, is van belang dat volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) voor afstemming in die zin slechts plaats is in zeer bijzondere situaties.

4.5.3.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zo’n situatie in haar geval voordeed. Weliswaar is niet in geschil dat appellante B vanwege haar crisissituatie in mei 2016 in huis heeft genomen, maar appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat ook op 7 januari 2017 daarvan nog steeds sprake was. Zij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat op die datum de inwoning van B nog als tijdelijk was aan te merken. Dat appellante meende dat zij B toen nog niet kon wegsturen doet daaraan niet af. Uit de duur van de inwoning tot op dat moment en de omstandigheid dat geen afspraken waren gemaakt over een einddatum van de inwoning, alsmede uit het feit dat B zich op het adres van appellante had laten inschrijven, volgt dat van een tijdelijke crisissituatie zoals bedoeld in het door appellante aangehaalde krantenartikel op 7 januari 2017 geen sprake meer was. Daarbij komt dat, zoals ook overwogen onder 4.4.3, appellante haar financiële situatie op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt, zodat zij de noodzaak om de bijstand af te stemmen op haar persoonlijke omstandigheden, mogelijkheden en middelen, niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) L.R. Daman