Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
17/5976 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5618, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geregelde handreikingen van derden nodig heeft (geregelde oppassing) als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel. Wel is in geschil of appellant hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen (geregelde verzorging). De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van geregelde verzorging en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Appellant heeft in hoger beroep herhaald wat in bezwaar en beroep is aangevoerd en geen objectieve medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel moet leiden. Dat aanwijzingen voor zelfverzorging moeten worden aangemerkt als een vorm van oppassing, en dus niet als verzorging zoals appellant heeft bepleit, is reeds geoordeeld in de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF2588. Appellant voert aan dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen enerzijds degene die, zoals hij, enkel aanwijzingen nodig heeft en anderzijds degene die wel (ook) fysieke zorg nodig heeft. Voor zover in het geval van appellant al sprake zou zijn van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de regeling van redelijke grond is ontbloot. Dat dit van redelijke grond is ontbloot, heeft appellant op geen enkele wijze onderbouwd. Een dergelijke onderbouwing kon temeer van appellant worden gevergd nu hij, naast zijn Wajong-uitkering, voor zijn begeleiding en verzorging voor zeven etmalen per week een pgb ontvangt. Het beroep op discriminatie kan dan ook niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/182
USZ 2020/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5976 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2017, 16/7622 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Hoogendonk hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Namens appellant is

mr. Hoogendonk verschenen. Het Uwv heeft via beeldbellen deelgenomen aan het onderzoek ter zitting en zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. J. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds 29 maart 2002 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 2 mei 2016 is aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend dat ziet op wonen met begeleiding en verzorging voor zeven etmalen per week.

1.3.

Bij brief van 25 april 2016 heeft appellant het Uwv verzocht om hem, in verband met

hulpbehoevendheid, in aanmerking te brengen voor een verhoging van zijn uitkering. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts onderzoek verricht. Met betrekking tot het begrip ‘geregelde oppassing’ heeft hij geconcludeerd dat voor appellant geen continu toezicht nodig is, maar dat wel geregeld handreikingen door derden noodzakelijk zijn. Ten aanzien van het begrip ‘geregelde verzorging’ heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat van dergelijke verzorging geen sprake is. Bij besluit van 26 mei 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 18 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2016 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hangende de beroepsprocedure heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juni 2017 ingebracht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de door het Uwv gehanteerde beleidsregel niet in strijd is met een discriminatiebepaling. Ook Wajongers met een psychische aandoening kunnen dusdanig beperkt zijn dat zij hulp nodig hebben bij het wassen en het aan- en uitkleden. Door de verzekeringsarts is uitgebreid en genoegzaam gemotiveerd dat geen sprake is van ‘geregelde verzorging’. Appellant is meestal zelfstandig in de zogenaamde ADL-activiteiten en zelfs op mindere dagen volstaat een aanwijzing van een derde. Van een situatie dat appellant gevoerd zou moeten worden, aangekleed of gewassen moet worden omdat hij daartoe zelf vanwege een ziekte of gebrek niet in staat zou zijn, is geen sprake. Nu niet is voldaan aan de beide voorwaarden van geregelde oppassing en verzorging, heeft het Uwv volgens de rechtbank op goede gronden geconcludeerd dat geen verhoging plaats zal vinden tot 85%.

3.1.

Appellant heeft gesteld dat wel is voldaan aan de voorwaarde van geregelde verzorging. Appellant heeft namelijk hulp nodig bij het tandenpoetsen, naar bed gaan en naar de kapper gaan. Het gaat niet om fysieke hulp, maar om aansturing om tot deze activiteiten te komen. Volgens appellant blijkt noch uit de wet, noch uit het beleid van het Uwv, noch uit de rechtspraak dat de hulp in de persoonlijke verzorging zo beperkt moet worden uitgelegd dat het moet gaan om fysieke hulp. Doordat het beleid van het Uwv wel alleen uitgaat van fysieke hulp en niet van hulp in de vorm van aanwijzingen, zoals bij appellant, is volgens appellant sprake van strijd met de non-discriminatiebepalingen van artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 3:9 van de Wajong bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de jonggehandicapte verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag wordt verhoogd.

4.2.

In het kader van de uitvoering van dit artikel hanteert het Uwv de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (Beleidsregel). Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 100% van het dagloon of het vervolgdagloon, indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 85% van het dagloon of het vervolgdagloon, indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn. De Raad heeft al eerder geoordeeld – zie de uitspraken van 22 december 2010, ECLI:NL:CRVB:BO9525 en van 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2675 – dat de Beleidsregel de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geregelde handreikingen van derden nodig heeft (geregelde oppassing) als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel. Wel is in geschil of appellant hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen (geregelde verzorging). De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van geregelde verzorging en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Appellant heeft in hoger beroep herhaald wat in bezwaar en beroep is aangevoerd en geen objectieve medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel moet leiden. Dat aanwijzingen voor zelfverzorging moeten worden aangemerkt als een vorm van oppassing, en dus niet als verzorging zoals appellant heeft bepleit, is reeds geoordeeld in de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF2588.

4.4.

Appellant voert aan dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen enerzijds degene die, zoals hij, enkel aanwijzingen nodig heeft en anderzijds degene die wel (ook) fysieke zorg nodig heeft.

4.5.

Volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM discriminerend als dit niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid. Het in dit geval gemaakte onderscheid naar zorgbehoefte is geen “verdacht” onderscheid, zodat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Dit geldt vooral waar het, zoals hier, gaat om een regeling op het terrein van de sociale zekerheid. Bij een dergelijke regeling is er eerst sprake van discriminatie in de zin van artikel 14 van het EVRM indien zij van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste kan niet snel worden aanvaard.

4.6.

Voor zover in het geval van appellant al sprake zou zijn van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de regeling van redelijke grond is ontbloot. In artikel 3:9 van de Wajong is de keuze van de wetgever neergelegd dat dient te worden voldaan aan twee elementen, de geregelde oppassing en verzorging, om voor verhoging van de uitkering in aanmerking te komen. Deze elementen zijn vervolgens uitgewerkt in beleid en in de rechtspraak bevestigd. Dat dit van redelijke grond is ontbloot, heeft appellant op geen enkele wijze onderbouwd. Een dergelijke onderbouwing kon temeer van appellant worden gevergd nu hij, naast zijn Wajong-uitkering, voor zijn begeleiding en verzorging voor zeven etmalen per week een pgb ontvangt. Het beroep op discriminatie kan dan ook niet slagen.

4.7.

Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) B.V.K. de Louw