Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1767

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
18/906 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de inrichting van het vereiste individueel feitenonderzoek naar een beweerdelijk onevenredig zware last, heeft de Svb in de bezwaarfase aansluiting gezocht bij de voorwaarden die zijn opgenomen in de OBR. De Raad onderschrijft het oordeel en de overwegingen van de rechtbank volledig dat de enkele toetsing door de Svb of de aanvrager aan de voorwaarden van de OBR voldoet niet is aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. De Svb moet altijd een aanvullend onderzoek verrichten naar de situatie van een aanvrager, indien deze in de bezwaarfase te kennen geeft dat hij door onverkorte toepassing van artikel 7a van de AOW onevenredig zwaar wordt getroffen. Daarvan is volgens de Svb niet gebleken en de Raad sluit zich daarbij aan. Niet in geschil is dat appellant tijdens de periode van zijn AOW-gat van negen maanden een inkomen had van 1,5 keer het sociaal minimum. Dat dit inkomen voor een deel bestond uit een overbruggingssom van zijn lijfrente die appellant eigenlijk pas voor de aanvulling van zijn AOW-pensioen had willen gebruiken, doet hieraan niet af. Buiten kijf staat dat de verhoging van de AOW-leeftijd grote financiële gevolgen heeft gehad voor appellant, nu hij een AOW-gat heeft van negen maanden en gedurende die periode zijn lasten hoger waren dan zijn inkomsten. Bij appellant heeft echter geen terugval in inkomen plaatsgevonden als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de situatie van appellant tijdens het AOW-gat dermate schrijnend was dat in zijn geval sprake was van een onevenredig zware last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 906 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

19 januari 2018, 17/3089 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.C. Rooijers.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om de Svb gelegenheid te geven hernieuwd onderzoek te doen. Het geding is verwezen naar de meervoudige kamer.

De Svb heeft de Raad nadere stukken toegezonden. Appellant heeft op deze stukken gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft de Svb nog een nader stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 25 juni 2020. Appellant is in persoon in de zittingszaal verschenen. De Svb heeft zich in de zittingszaal via een directe beeld- en geluidsverbinding laten vertegenwoordigen door mr. Rooijers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1951 en heeft de Svb verzocht hem een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe te kennen per

[datum in] 2016. Bij besluit van 3 april 2017 heeft de Svb dit verzoek afgewezen, omdat appellant zijn pensioengerechtigde leeftijd op grond van de AOW (AOW-leeftijd) nog niet heeft bereikt. In het bezwaarschrift tegen dit besluit heeft appellant aangevoerd dat de verhoging van de AOW-leeftijd, met in zijn geval negen maanden, heeft geleid tot een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht, omdat hij in die periode een onevenredig zware last heeft te dragen.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 12 juni 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat door het niet toekennen van een ouderdomspensioen vanaf de leeftijd van 65 jaar, geen ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht van appellant wordt gemaakt. Hij heeft geen onevenredig zware last te dragen, omdat hij niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). De Svb meent verder dat appellant niet de gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat hij vanaf de leeftijd van 65 jaar een ouderdomspensioen zou ontvangen, omdat er geen concrete toezegging over de AOW-leeftijd is gedaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling over de vergoeding van het griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502 en ECLI:NL:CRVB:2016:2613, heeft de rechtbank overwogen dat de enkele toetsing aan de voorwaarden van de OBR niet is aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last bij appellant. De Svb heeft dus een onzorgvuldig onderzoek aan zijn besluit ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten omdat de door appellant genoemde omstandigheden er niet toe leiden dat in zijn geval sprake was van een onevenredig zware last. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn inkomen tijdens het zogenoemde AOW-gat van negen maanden weliswaar boven het bestaansminimum heeft gelegen, maar dat zijn vaste lasten structureel ruim € 300,- per maand hoger waren dan zijn inkomsten. Hij heeft daarom ongeveer € 2.000,- moeten lenen van zijn vriendin. Hij heeft geen buffer kunnen opbouwen om het AOW-gat te overbruggen, omdat hij in 2013 is ontslagen. Tijdens de periode waarin hij een werkloosheidsuitkering (WW) kreeg, heeft hij kunnen sparen ter aanvulling van zijn IOW-uitkering, maar niet voor de periode van het AOW-gat. Daarvoor waren zijn vaste lasten te hoog. Appellant heeft zijn lijfrente moeten aanspreken om het AOW-gat te overbruggen, waardoor hij extra fiscaal is belast en zijn lijfrente in waarde is verminderd. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding, waaronder betaling van wettelijke rente over het ten onrechte niet uitgekeerde AOW-pensioen en/of het verliezen van een deel van zijn lijfrenteopbouw.

3.2.1.

Ter zitting van de Raad op 13 maart 2020 heeft de Svb te kennen gegeven een hernieuwd onderzoek te willen doen naar de vraag of in de situatie van appellant sprake was van een onevenredig zware last.

3.2.2.

Desgevraagd heeft appellant via een door de Svb toegezonden formulier informatie verstrekt over zijn financiële en persoonlijke situatie in de periode december 2016 tot en met september 2017. Naar aanleiding hiervan is de Svb tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een onevenredige zware last die is ontstaan door de verhoging van de AOW‑leeftijd. De Svb heeft vastgesteld dat het inkomen van appellant is gedaald in juli 2016, dus een half jaar voor zijn vijfenzestigste verjaardag. Het opschuiven van de AOW-leeftijd is dus niet de oorzaak van de achteruitgang in inkomen.

3.2.3.

Volgens appellant is de daling van zijn inkomen in juli 2016 niet relevant. In zijn visie heeft de Svb onvoldoende meegewogen dat hij geen buffer heeft kunnen opbouwen om zijn AOW-gat te overbruggen. Als hij zijn lijfrente niet had aangesproken dan zou hij een inkomen onder het sociaal minimum hebben gehad. Ook is de waardevermindering van zijn lijfrentesom ten onrechte niet in de beoordeling meegenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht verwezen naar rechtspraak van de Raad over de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verhoging van de AOW aanvangs- en pensioengerechtigde leeftijd waaruit volgt dat die verhoging een inmenging in het eigendomsrecht is, als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol). Deze inmenging wordt in het algemeen proportioneel geacht en leidt in het algemeen niet tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. In die rechtspraak is ook overwogen dat de toepassing van artikel 7a van de AOW in concrete gevallen kan leiden tot een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en daardoor tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld.

4.2.

Voor de inrichting van het vereiste individueel feitenonderzoek naar een beweerdelijk onevenredig zware last, heeft de Svb in de bezwaarfase aansluiting gezocht bij de voorwaarden die zijn opgenomen in de OBR. De Raad onderschrijft het oordeel en de overwegingen van de rechtbank volledig dat de enkele toetsing door de Svb of de aanvrager aan de voorwaarden van de OBR voldoet niet is aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last. Hiertoe wordt ook verwezen naar de uitspraken van de Raad van 3 januari 2019, onder meer ECLI:NL:CRVB:2019:672. Daarom moet de Svb altijd een aanvullend onderzoek verrichten naar de situatie van een aanvrager, indien deze in de bezwaarfase te kennen geeft dat hij door onverkorte toepassing van artikel 7a van de AOW onevenredig zwaar wordt getroffen. Daarbij kan van de aanvrager worden verlangd dat hij zelf de gegevens aanlevert die zijn standpunt onderbouwen en die relevant zijn voor het onderzoek.

4.3.1.

De Svb heeft in hoger beroep alsnog de inkomens- en vermogenspositie van appellant bekeken en beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het aannemen van een onevenredig zware last voor appellant en daardoor tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Daarvan is volgens de Svb niet gebleken en de Raad sluit zich daarbij aan. Niet in geschil is dat appellant tijdens de periode van zijn AOW-gat van negen maanden een inkomen had van 1,5 keer het sociaal minimum. Dat dit inkomen voor een deel bestond uit een overbruggingssom van zijn lijfrente die appellant eigenlijk pas voor de aanvulling van zijn AOW-pensioen had willen gebruiken, doet hieraan niet af. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, kan bij een toetsing als deze van een betrokkene worden verlangd dat hij zo nodig zijn vermogensbestanddelen, zoals spaargeld of een lijfrente, aanwendt ter overbrugging van het inkomensgat (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2019:692 en ECLI:NL:CRVB:2020:779).

4.3.2.

Buiten kijf staat dat de verhoging van de AOW-leeftijd grote financiële gevolgen heeft gehad voor appellant, nu hij een AOW-gat heeft van negen maanden en gedurende die periode zijn lasten hoger waren dan zijn inkomsten. Bij appellant heeft echter geen terugval in inkomen plaatsgevonden als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd. Al vanaf juli 2016 waren de inkomsten van appellant lager dan zijn vaste lasten, wat mede werd veroorzaakt door de overgang van een WW-uitkering naar een lagere IOW-uitkering. Dat appellant mede door zijn hoge vaste lasten geen buffer voor het AOW-gat heeft kunnen opbouwen, is op zichzelf beschouwd geen omstandigheid die zou moeten leiden tot het aannemen van een onevenredig zware last die is veroorzaakt door de verhoging van de AOW‑leeftijd. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de situatie van appellant tijdens het AOW-gat dermate schrijnend was dat in zijn geval sprake was van een onevenredig zware last. Hiervoor is niet voldoende dat hij heeft moeten interen op zijn lijfrentepolis en geld heeft moeten lenen bij zijn vriendin.

4.4.

Dit betekent dat de rechtbank, na te hebben geoordeeld dat de voorbereiding van het bestreden besluit niet zorgvuldig is geweest, en dit besluit te hebben vernietigd, terecht de rechtsgevolgen daarvan in stand heeft gelaten en terecht het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) B.V.K. de Louw